Vier onderdelen van een goede dialoog

Vier onderdelen van een goede dialoog

Een goede dialoog voelt levensecht. Het voelt alsof we het gesprek tussen je personages daadwerkelijk kunnen afluisteren. Dat zorgt voor extra nieuwsgierigheid en spanning. Een slechte dialoog klinkt als een slechte soapserie. Eerlijk gezegd overkomt het me vaak wanneer ik een Nederlandse film of serie kijk. ‘Ja dag,’ denk ik dan, ‘er is niemand op de wereld die zo praat. Dit klinkt voor geen meter! Ik ga wel iets anders kijken.’ Als je personages niet geloofwaardig klinken, maakt het je lezer ook niet meer uit wat ze beleven. Dat willen we voorkomen! Maar dat is makkelijker gezegd (ha!) dan gedaan. Hoe schrijf je dan een goede dialoog? Er komt veel bij kijken. Maar als je afwisselt tussen deze vier onderdelen, ben je goed op weg:   Gesproken zinnen   Bij het schrijven of beoordelen van een dialoog, letten veel schrijvers alleen op de zinnen die de personages uitspreken. Voor het gemak reken ik de dialooglabels hier ook even mee. Dit zijn de mini-beschrijvingen die duidelijk maken wie er aan het woord is. Een voorbeeldje: ‘Als je een dialoog schrijft, moet je op veel dingen letten,’ zegt Kelly. Waar veel schrijvers de mist ingaan, is dat ze de gesproken zinnen vrij neutraal houden en vervolgens meer informatie toevoegen aan het dialooglabel. ‘Ik vind dit niet oké,’ zegt Kelly woedend. Let op de inhoud! Zorg ervoor dat de manier van praten past bij je personage. Passen de woorden en zinnen die ze gebruiken bij hun persoonlijkheid, leeftijd en achtergrond? Waarschijnlijk praat je op een andere manier dan een jochie van 10 jaar, om maar wat te noemen. Je hebt verschillende mensen...
Feedback op een verhaal 1: Papegaaiduif en vijg

Feedback op een verhaal 1: Papegaaiduif en vijg

Hoe is het om feedback op een verhaal te krijgen? In deze nieuwe blogrubriek krijg je het te zien! Ik deel het winnende verhaal van de schrijfwedstrijd én mijn feedback daarop met je. Deze keer: Papegaaiduif en vijg van Kasandra Sharac. Wil je ook eens meedoen aan een schrijfwedstrijd? Meld je aan voor mijn gratis schrijftips en –oefeningen, dan ontvang je vanzelf bericht wanneer er een nieuwe klaarstaat. Ik wens je veel leesplezier!   Het verhaal: Papegaaiduif en vijg   Ze verschenen op een dag uit de zee. Met z’n tweeën. Met hun verhalen. Dat ze zonneboog na zonneboog rondgedobberd zouden hebben. Dat ze niet wisten of ze ooit nog land zouden zien. Tot ze het zagen. Tot ze ons zagen. Destijds was ik zelf ook nog maar net komen aanwaaien, dus ik zat nog in de grond. Natuurlijk vond niemand het erg dat ze hier wortel schoten. Maar dat was vele zonnewenden gelden. Dingen zijn veranderd. Ze zijn niet meer met z’n tweeën. De haaklelies klagen dat ze de hele tijd schaduw op ze werpen. Dat zíj er eerder waren. Soms brengen de wind en de duiven berichten over van mijn aftakkelingen aan de andere kant van het land. Maar het duurt niet lang meer of ze zullen berichten van mij hiernaartoe brengen. Laat de lelies klagen. Ik ga doen wat de kokosnoten hebben gedaan: ik ga de zee over. Mijn vlees was het grootste probleem. De kokosnoten worden geboren met een schild, dragen het altijd bij zich. Mijn vruchten zijn echter zo zacht, zo week, dat het water mij vrij snel zal doen vergaan. Maar de oplossing...
Heeft jouw verhaal last van zwevende hoofdjes?

Heeft jouw verhaal last van zwevende hoofdjes?

In de verhalen waar ik feedback op geef, zie ik regelmatig lange stukken waarin een personage alleen maar aan het denken is. Iemand haalt een herinnering op, is aan het dagdromen of herkauwt een eerdere gebeurtenis of een gesprek. In principe is daar niks mis mee. Dat is juist wat lezen zo leuk maakt: je krijgt de kans om in iemands hoofd te kruipen en te horen wat daar allemaal gebeurt. Maar het moet wel passen bij de rest van het verhaal. Daar zie ik schrijvers soms de bocht uit vliegen. Wat er dan gebeurt, is dat je zwevende hoofdjes krijgt.   Wat zijn zwevende hoofdjes?   Soms besteden schrijvers zo veel aandacht aan alle gedachten van het personage, dat ze de rest van het verhaal uit het oog verliezen. De lezer snapt dan wel wat je personage allemaal denkt, maar krijgt niets te zien van de rest van de verhaalwereld. Het is alsof er een hoofdje als een ballon door de lucht zweeft. Dat haalt de lezer even uit de betovering. De lezer weet niet waarom het belangrijk is dat het personage hier nu aan denkt. Het voelt niet meer alsof we een mens van vlees en bloed volgen. Je lezer voelt minder spanning en nieuwsgierigheid. Sterker nog, je lezer kan er verward door raken. Dat willen we natuurlijk niet!   Hoe vang je zwevende hoofdjes?   Kijk even naar jezelf. Ook al ga je helemaal op in je gedachten of hersenspinsels, je bent nooit alléén maar aan het denken. Je hoofd zit vast aan je lijf. En dat lijf zit, staat, ligt of loopt ergens. Je bent...
Show, don’t tell: wat moet je ermee?

Show, don’t tell: wat moet je ermee?

Het is een veelgehoorde schrijfregel: ‘show, don’t tell’ als je een boeiend verhaal wilt schrijven. Je moet niet droog vertellen (tell) wat je bedoelt en wat er gebeurt, maar het laten zien (show) zodat je lezer zelf de conclusie trekt. Dat klinkt vrij logisch. Natuurlijk wil je de verbeelding van de lezer aanspreken! Natuurlijk wil je dat ze je verhaal begrijpen! Toch duurde het even voordat ik het écht onder de knie had. En ik ben niet de enige. Ik zie regelmatig discussies in schrijfgroepen en blogartikelen voorbij komen waarin mensen het niet eens zijn over wat deze schrijfregel nou inhoudt en hoe je hem goed toepast.   Wat betekent ‘show, don’t tell’?   De schrijver Anton Tsjechov vatte het mooi samen: ‘Vertel me niet dat de maan schijnt; toon me de glinstering van licht op gebroken glas.’ Wanneer je ‘vertelt’, breng je informatie over op de meest droge en efficiënte manier. Dat is heel handig, maar het maakt weinig emotionele indruk op je lezer. In Tsjechovs voorbeeld: de maan schijnt. Daar knoop je als lezer de conclusie aan vast dat het nacht is en dus donker. Goed om te weten! Maar het kan spannender. Wanneer je ‘toont’, breng je informatie over én voeg je tegelijkertijd meer sfeer en/of emotie toe. In Tsjechovs voorbeeld schijnt er licht op gebroken glas. We weten niet of het licht komt van een lamp, van de maan of een andere bron. We weten wel dat het donker is, anders heb je geen extra licht nodig. En er ligt dus gebroken glas… van een raam, een fles of iets anders. Wat zou er gebeurd...
Setting: zo beschrijf je de wereld van je verhaal

Setting: zo beschrijf je de wereld van je verhaal

Waar je bent heeft invloed op hoe je je gedraagt. Zo gedraag je je op een begrafenis heel anders dan op een bruiloft. Tenminste, dat hoop ik ;) Hetzelfde geldt voor tijdperken. Er zijn zat dingen die honderd jaar geleden als normaal werden beschouwd, maar die nu echt niet meer door de beugel kunnen. En hoe de wereld er over honderd jaar uitziet? Daar kunnen we van alles over verzinnen. Waar en wanneer je verhaal zich afspeelt wordt de ‘setting’  genoemd. Die plekken en tijden hebben invloed op wat je personages kunnen weten en doen. Als je de setting goed beschrijft, komt de wereld van je verhaal nog meer tot leven. Je lezer krijgt nog meer kans om mee te leven met je personages.   Zo maak je de setting duidelijk   Jij bent verantwoordelijk om je lezer de informatie te geven die ze nodig hebben om het verhaal te snappen. Het is belangrijk om snel informatie te geven over waar en wanneer we ons bevinden – zeker als je verhaalwereld verschilt van de wereld van de lezer. Als je niet genoeg informatie geeft, zal je verhaal geloofwaardigheid verliezen. ‘ Ja dag, hij heeft ineens een draak als huisdier?! Dat kan helemaal niet.’ Als je te veel informatie geeft, leidt dat af van je verhaal. ‘Hé, waarom krijg ik ineens drie pagina’s uitleg over het politieke systeem? Wat heeft dit met de rest te maken?’ Voor een schrijver is het handig om zo veel mogelijk over de verhaalwereld te leren. Je hoeft alleen niet ál die feitjes in je tekst te stoppen. Bedenk wat noodzakelijke informatie is voor de...
Een routeplanner om je verhaallijn te bedenken

Een routeplanner om je verhaallijn te bedenken

Er wordt wel eens gezegd dat er twee soorten schrijvers bestaan. De ene groep schrijvers wil eerst het hele verhaal plannen, voordat ze beginnen met schrijven. De andere groep schrijvers begint gewoon en ziet onderweg wel waar ze uitkomen. Elke aanpak heeft voor- en nadelen, dus het maakt niet uit welk type je bent! Zolang je jezelf maar niet in een hokje propt waar je niet in past. Als je vooraf een plan hebt, heb je minder kans om onderweg vast te lopen. Het nadeel is dat je tijdens het schrijven altijd extra ideeën opdoet, die je verhaal nog leuker en levendiger maken. Als je plan te strak is, heb je misschien geen ruimte voor die verrassende ingevingen. Als je zonder plan begint, loop je meer kans om vast te lopen. Je laat je fantasie de vrije loop, maar hebt geen idee hoe je bij een passend einde uitkomt. In het ergste geval kun je weer van voor af aan beginnen. Kijk, als je een verhaal van een paar honderd woorden wilt schrijven, is dat geen ramp. Die verrassende ingevingen kun je bewaren voor een volgend verhaal, of je gooit je huidige idee weg en begint aan iets nieuws. Maar als je aan een langer verhaal of een roman werkt… dan kan een half plan toch handig zijn! Dat halve plan noem ik de routeplanner.   Het nut van een routeplanner   De routeplanner is een uitgebreide vragenlijst. We kijken naar het beginpunt van je verhaal, het eindpunt en wat er onderweg noodzakelijk is om van A naar Z te kunnen rijden. Je hoeft nog niet iedere wending in...