Show, don’t tell: wat moet je ermee?

Show, don’t tell: wat moet je ermee?

Het is een veelgehoorde schrijfregel: ‘show, don’t tell’ als je een boeiend verhaal wilt schrijven.

Je moet niet droog vertellen (tell) wat je bedoelt en wat er gebeurt, maar het laten zien (show) zodat je lezer zelf de conclusie trekt.

Dat klinkt vrij logisch. Natuurlijk wil je de verbeelding van de lezer aanspreken! Natuurlijk wil je dat ze je verhaal begrijpen!

Toch duurde het even voordat ik het écht onder de knie had. En ik ben niet de enige. Ik zie regelmatig discussies in schrijfgroepen en blogartikelen voorbij komen waarin mensen het niet eens zijn over wat deze schrijfregel nou inhoudt en hoe je hem goed toepast.

 

Wat betekent ‘show, don’t tell’?

 

De schrijver Anton Tsjechov vatte het mooi samen: ‘Vertel me niet dat de maan schijnt; toon me de glinstering van licht op gebroken glas.’

Wanneer je ‘vertelt’, breng je informatie over op de meest droge en efficiënte manier. Dat is heel handig, maar het maakt weinig emotionele indruk op je lezer.

In Tsjechovs voorbeeld: de maan schijnt. Daar knoop je als lezer de conclusie aan vast dat het nacht is en dus donker. Goed om te weten! Maar het kan spannender.

Wanneer je ‘toont’, breng je informatie over én voeg je tegelijkertijd meer sfeer en/of emotie toe.

In Tsjechovs voorbeeld schijnt er licht op gebroken glas. We weten niet of het licht komt van een lamp, van de maan of een andere bron. We weten wel dat het donker is, anders heb je geen extra licht nodig. En er ligt dus gebroken glas… van een raam, een fles of iets anders. Wat zou er gebeurd zijn?

Het tonende voorbeeld geeft dus gedeeltelijk dezelfde informatie als het vertellende voorbeeld, maar het maakt je waarschijnlijk nieuwsgieriger. Dat zorgt voor extra leesplezier.

 

Sanne en Jeroen, versie 1

 

Laten we naar een wat uitgebreider voorbeeld kijken. Sanne en Jeroen hebben ruzie. We weten niet waarover of wie ze verder zijn.

In deze versie wordt er alleen verteld:

Sanne was boos, zó boos. ‘Hoe kun je me dit aandoen?’ riep ze hard.

                Jeroen probeerde zich te verontschuldigen, maar het lukte niet.

De eerste alinea is dubbelop: er wordt verteld dat Sanne boos is en dat ze hard roept, wat vaak een teken is van woede.

In de tweede alinea wordt er verteld wat Jeroen wil doen, maar we komen niet te weten hoe hij zich probeert te verontschuldigen of waarom het niet lukt.

Op Sannes roepen na, zien we niet hoe deze personages handelen. We begrijpen best wat er gebeurt, maar het is lastig om mee te leven.

 

Sanne en Jeroen, versie 2

 

In deze versie wordt er veel getoond:

‘Hoe kun je me dit aandoen?’ Sannes woorden bleven in de lucht hangen.

                Jeroen stak zijn handen omhoog om zichzelf te beschermen, maar het schuldgevoel brandde in zijn maag.

Er wordt ons niet verteld of Sanne roept of fluistert, maar de inhoud van de gesproken zin maakt duidelijk dat Sanne niet blij is met de situatie.

Het beeld van de hangende woorden helpt te tonen dat de sfeer erg gespannen is.

Ook krijgen we meer te zien van Jeroen: we zien zijn lichaamstaal en komen te weten wat hij in zijn lichaam voelt. Wat hij ook heeft gedaan, het is duidelijk dat hij niet aan de gevolgen kan ontkomen. Deze ruzie gaat nú uitgevochten worden.

 

Zo kun je meer tonen

 

Je kunt meer tonen door opvallende details te beschrijven. Wat voor details kun je opschrijven, zodat je lezer de juiste conclusie trekt?

Denk aan de manier waarop iemand praat en beweegt. Of aan wat je allemaal kunt zien, horen, ruiken, proeven en voelen in een omgeving. Zulke zintuiglijke beschrijvingen helpen om de wereld van je verhaal tot leven te brengen.

Wat voor details je kiest, hangt af van je verhaal en van je smaak. Misschien wil je juist wel laten weten dat Sanne fluistert, zodat we beter horen wat er gebeurt. Jij beslist welk beeld je neer wilt zetten. Je moet zelf dingen uitproberen en keuzes maken – dat maakt schrijven zo leuk en soms zo frustrerend :)

 

Moet je altijd tonen?

 

Moet je altijd tonen? Is tonen altijd beter dan vertellen? Nee.

Juist door tonen en vertellen met elkaar af te wisselen, maak je het verhaal gevarieerder en daarom prettiger om te lezen.

Tonen helpt om je verhaal levendiger te maken. De situatie en de sfeer worden duidelijk en je lezers krijgen het gevoel dat ze naast de personages staan. Vaak wil je dit effect hebben in het grootste gedeelte van je verhaal.

Vertellen is heel effectief wanneer je achtergrondinformatie wilt delen of iets wilt samenvatten. Je geeft snel de informatie die de lezer nodig heeft. Als je alles in evenveel detail beschrijft, springt niets er echt uit. Zorg dus voor afwisseling!

Kortom: ‘show, don’t tell’ is geen harde schrijfregel, maar een richtlijn. Hoe veel je precies moet tonen en hoe veel je moet vertellen, hangt af van je verhaal en van je smaak.

De beste manier om te oefenen is door meer te schrijven! En als je er eens over wilt sparren, neem dan contact met me op.

 

Heb je nog vragen over ‘show, don’t tell’? Laat een reactie achter!

Vond je dit een leuk artikel? Meld je dan aan voor meer gratis schrijftips en -oefeningen.

 

2 Comments

  1. SDT, heb ik gemerkt, is voor veel schrijvers een heilige regel. Het is goed dat je hier een andere regel voor in de plaats stelt: variatie. Schrijven is tenslotte geen filmen.

    Reply
    • Helemaal mee eens, Jaap! Ik vind dat we meer van films kunnen leren dan de meeste schrijvers verwachten, maar dit is inderdaad een van de grootste verschillen.

      Reply

Submit a Comment

Your email address will not be published. Required fields are marked *