Schrijfwedstrijd oktober 2020

Schrijfwedstrijd oktober 2020

Update: de wedstrijd is gewonnen door Melanie Jansen. Gefeliciteerd!

Wil je een mailtje ontvangen wanneer er een nieuwe schrijfwedstrijd is? Meld je dan aan voor mijn gratis schrijftips en -oefeningen.

 

Zo doe je mee aan de schrijfwedstrijd oktober 2020:

  1. Laat je inspireren door deze foto!
  2. Schrijf een kort verhaal van max. 400 woorden (incl. titel) in het Nederlands of Engels.
  3. E-mail je verhaal als Word-bestand uiterlijk zaterdag 31 oktober 2020, 23.59 uur Nederlandse tijd naar info@kellymeulenberg.com.
  4. Bonus: als je trots bent op wat je hebt geschreven, deel het dan in de reacties hieronder! Dit is niet verplicht, maar wel heel leuk :)

 

Dit kun je winnen:

Iedere deelnemer die aan alle bovenstaande voorwaarden voldoet krijgt een mini-coachsessie (t.w.v. € 20,-), waarin we je verhaal en evt. schrijfvragen bespreken. (Je kunt dus meerdere verhalen insturen, maar je krijgt één sessie.)

Daarnaast verloot ik één kaartje voor de Schrijfmiddag op zaterdag 28 november in Delft (t.w.v. € 25,-). Als de Schrijfmiddag verzet moet worden i.v.m. coronamaatregelen, geldt je kaartje voor de eerstvolgende datum.

Deelnemers ontvangen de uitslag op donderdag 5 november. De uitslag wordt ook bekendgemaakt op deze pagina, mijn sociale media en in mijn e-mailnieuwsbrief.

 

Overige voorwaarden:

De prijs is niet in te wisselen voor geld. Mocht je al een kaartje voor de Schrijfmiddag hebben gekocht, krijg je het geld daarvoor terug óf kun je gratis iemand meenemen. Mocht de Schrijfmiddag niet door kunnen gaan, geldt je kaartje voor de volgende datum. Ik vermeld de naam van de winnaar op mijn site, sociale media en in mijn nieuwsbrief – door je verhaal in te zenden, geef je hiervoor toestemming indien van toepassing. Je verhaal zal niet door mij gedeeld worden en alle rechten blijven bij jou.

 

Klaar? Schrijven maar!

Deadline: zaterdag 31 oktober

Klik op de foto om hem te vergroten:

schrijfwedstrijd oktober 2020 - foto door marko blazevic via unsplashFoto door Marko Blazevic via Unsplash

Inspiratie nodig? Lees het artikel: Hoe schrijf je een verhaal bij een foto?

Veel schrijfplezier!

30 Comments

  1. Kan ik het? Stil blijven zitten? Ik zie hem toch echt lopen. Een paar meter maar, verderop. Als ik spring, dan heb ik hem!

    Maar hij is zo klein. Misschien zit daar een nest, als ik wacht, dan zie ik vast meer.

    Oh, zo lekker, het water loopt mij in mijn mond. Oh jee, een druppel werkt zich naar buiten. Heel voorzichtig, geen geluid maken. Ik lik hem wel weg. Zo! Rust. Stil, Zitten.

    Eigenlijk is het hier best kil, vochtig, misschien zijn het wel de laatste muisjes die ik kan verschalken dit jaar. Straks zitten ze in hun holletje.

    Zal ik dan toch?

    Hé, wat hoor ik? Van rechts komt geluid! Voorzichtig draai ik mijn oor in die richting. Geen minuut verlies ik mijn prooi uit het oog. Het geluid is weg. Vast een of andere eikel. Het is tenslotte herfst.

    De spanning bouwt zich op, ik voel het aan mijn staart. Het muisje kijkt naar mij en ook zij staart. Een gespannen evenwicht. Word ik gezien? Mijn snorharen trillen. De vibratie is voelbaar. Rond mijn schouders spannen de spieren. Klaar voor die ene sprong.
    Mijn klauwen komen naar buiten, graven zich vast in de grond. Ik voel mijn rug bollen. Haren komen overeind. Het water uit mijn mond is niet meer te stoppen.

    Ik moet, het moet, met een enorme krachtsinspanning weet ik mij nog te beheersen, verplaats ik mijn gewicht naar voren. Nu, nu ben ik echt helemaal klaar.

    Ik zie hoe het muisje haar gezichtje draait, weg van de dreiging, weg van mij.
    Als een veer, strak gespannen, losgelaten in een enorme ontlading, ga ik. Ik vlieg, ik land en ik neem. Mijn tanden vinden:

    Een blad voor de mond.

    Reply
  2. Opgelost

    Vorige week kwam Erika enthousiast terug van de kringloopwinkel, ze had een dik boek met een rode kaft in haar handen. En gooide haar jas over een stoel, terwijl ze weet dat ik daar een hekel aan heb. Ik staarde net zo lang naar haar totdat ze opkeek, mij zag en zuchtend haar jas in de gang ging hangen.
    Ze is al dagen in dat boek aan het lezen. Mijn ergernis level stijgt. Ik bedoel maar ze heeft nog niet gestoft en ze weet dat ik dat graag op vrijdag gedaan wil hebben. Heb ik een fout gemaakt door met haar te trouwen? Maar ze was vrolijk en volgzaam en deed graag alles wat ik vroeg. Maandag wassen, dinsdag strijken, woensdag alles zuigen, donderdag hachee koken. Gewoon iedere dag de routine die mijn lieve moeder had. De afgelopen drie jaar is ze veranderd. Ze noemt me ook niet meer liefkozend Japie. Zei zelfs een keer, dat het een achterlijke naam is voor een volwassen man.
    Goed, ik heb donderdag tegen haar geschreeuwd, maar wie laat nou hachee aanbranden.
    De week ervoor was ze de suiker in het griesmeel vergeten!
    ‘Dan doe je het er nu maar op’ zei ze. Iedereen weet, dat het anders smaakt, als het niet is meegekookt!
    Gisteren hoorde ik haar in de keuken mompelen, terwijl ze in het opengeslagen boek keek. Ik bleef nieuwsgierig om het hoekje kijken. De zure buurman stond zoals gewoonlijk vanuit zijn tuin, bij ons naar binnen te gluren. Plotseling was hij weg, niet zomaar weg, maar ineens floep verdwenen. Ik heb hem de rest van de week niet meer gezien.
    Hoe kom ik hier in hemelsnaam verzeild? Goed ik zit wel lekker op de heide, en die muis was lekker. Hoewel muis? Vanmorgen zat ik toch nog gewoon thuis aan mijn ontbijt. Bordje havemout, versgeperst sinaasappelsap en een eitje, vijf en een halve minuut gekookt. Erika zat tegenover mij. Ze was opmerkelijk vrolijk en bekeek mij van top tot teen.
    Ik herinner mij dat ze, ‘vaarwel Jaap,’ zei, ik slikte net mijn laatste hap ei door en keek haar verbaasd aan.
    Voelde een vreemde huivering over mijn rug en nu zit ik hier in het lentezonnetje. En ik heb een opmerkelijke drang om mij van top tot teen te likken, of zal ik eerst een dutje doen?

    Reply
  3. De strijd van Ra

    ‘Hoe vaak moet ik die slang nog doden?’ Ra stampt het goddelijk paleis binnen. Moe van zijn reis door de onderwereld ploft hij op zijn troon neer.
    Aton kijkt op van de zonneschijf die hij oppoetst. ‘Je zou er inmiddels aan gewend moeten zijn. Het is immers niet de eerste keer.’
    Ra snuift. Aton snapt er niets van. Iedere nacht worden Ra en de jakhalzen aangevallen door die naargeestige Apophis. Een gevecht is onvermijdelijk, waarna het bloed van de antigod de hemel rood kleurt en Ra terugkeert naar de dageraad. Elke nacht is het hetzelfde liedje. Als zonnegod zou hij daar een einde aan moeten kunnen maken, maar wat hij ook doet, Apophis herrijst, waarna het hele riedeltje weer van voor af aan begint. ‘Jij hebt makkelijk praten. Jij hoeft niet elke nacht te vechten voor je wedergeboorte.’ Ra is zo sikkeneurig dat hij verzaakt om de grijze wolken boven de aarde te verdrijven met zijn zonnekracht. De dag is somber en grauw en ook in het goddelijk paleis is de stemming bedrukt.

    Mafdet lag opgekruld op haar canapé te slapen, toen Ra die morgen het paleis binnen stampte. Zonder zich te verroeren luisterde ze naar de woordenwisseling van de zonnegoden. Dit is mijn kans, dacht ze. Als ik het Apophis-probleem kan smoren, zal Ra eindelijk oog krijgen voor míj. De aandacht die ik verdien zal aan mij toebehoren. Aan Ra’s zijde kan ik regeren als oppergodin.
    Bij de gedachte begint Mafdet te spinnen. Ze kan het verlangen niet onderdrukken en kronkelt in extase over haar canapé. Vanavond zal ik toeslaan.
    Nog altijd chagrijnig spant Ra de jakhalzen in en bestijgt zijn strijdwagen. De reis begint zoals iedere andere avond; echter heeft hij nu een verstekeling aan boord. In de onderwereld aangekomen brengt Ra de doden tot leven om de balans tussen goed en kwaad te herstellen. Zoals verwacht werpt Apophis zich voor de jakhalzen. De naargeestige slang bijt en kronkelt alsof het een lieve lust is. Nog voor Ra uit zijn strijdwagen kan stappen komt Mafdet tevoorschijn en springt op Apophis af. Met haar vier klauwen drukt ze hem tegen de grond en zet haar scherpe tanden in het slangenlijf. Na enkele stuiptrekkingen blijft Apophis onbeweeglijk liggen. Mafdet spint van geluk en kijkt haar geliefde zonnegod zwoel aan. Ra weet niet wat hij moet zeggen. Is zijn eeuwige strijd met Apophis dan eindelijk ten einde? ~

    Reply
  4. Een zwartharige moordenaar ben ik, met vlijmscherpe tanden. Ik voel elke spier in mijn lenige lijf, totale beheersing heb ik er over. Ik spring, als ik wil. Ik rol me op, als ik wil. Of ik draai arrogant mijn reet naar je toe, hef mijn staart en verlaat je, voor zolang ik wil.
    Waarom ik van je hou? Houd ik van je? Ik hou van je toegankelijke huis. Ik ben dol op je zachte bed en je groen fluwelen bank. Het is hartverwarmend dat je elke dag drie bakjes voor mij klaar zet. Water, dat ik negeer, alleen omdat ik liever natuurlijk water uit een plas drink, of jouw koud geworden thee. Hard voer, ach…dat harde voer, fijn voor het gebit en als er niets anders is. En een schaaltje heerlijk zacht vlees, dat altijd te snel op is. Ik hou van jouw handen op mijn huid en de behaaglijkheid van jouw schoot. Als ik van jou hou, houd ik ook van je buurvrouw of de mijnheer die jouw belastingaangifte invult. Mijn trouw is zo lang als mijn genot.
    En als ik ga, ga ik anders dan jij. Ik ruik een wereld van seks, gevaar en eten. Adrenaline op de daken, schatten in het gras. Ik jaag omdat ik een onweerstaanbare passie daartoe voel, helemaal vanuit mijn hart. Ik zing omdat ik vrijen wil met wie er maar beschikbaar is, schaamteloos en openbaar. Ik vecht als het moet en soms omdat het mogelijk is. En daarna strek ik mij uit en laat de zon mij complimenten geven, op een muur en met gesloten ogen.
    Maar toch, dat lieve gezicht wat ik heb is geen masker. Ik ben geen ongevoelig mormel. Nee, ik was wat al te bot over mijn gevoelens voor jou. Jij bent meer, ja echt geloof me. Je bent meer dan volstrekte willekeur en een schone bak. Ik waardeer je heus wel. Ik heb je nodig, maar ik zie je. Om onze vriendschap te vieren breng ik je soms de kont van een muis of een stervende vogel. Ik leg ze voor je deur omdat ik weet dat jouw neus ze niet kan vinden als het niet overduidelijk is.
    Nou? Komt het dan niet van twee kanten? Hoezo is jouw geluid niet zacht? Waarom vier jij niet met me mee? Eet! Ik deel, dus neem het. De teleurstelling verwerk ik voor het raam, tussen twee planten. Ik staar in de verte naar een man met een hond. Aan een touw, minachting vermengt mijn hartenpijn. Jij, jij krijgt mijn rug, mijn kromgebogen zwarte beledigde rug. Voel het maar, de kou.
    Je aait me, ik hou van je.

    Reply
  5. Mispoes

    Ik wiebel met mijn staart. Het is me gelukt! Ik bekijk mezelf, ik heb een prachtige grijsblauwe vacht. Terwijl ik op zoek ga naar een waterplas om mezelf te bewonderen begint mijn maag enorm te pruttelen. Iets verderop zie ik een muis. Jagen? Ik? Dat zie ik niet zitten. Waarom hebben ze me midden op de hei gezet? Misschien een teleporteerfoutje? Het was een ontiegelijke drukte van jewelste op mijn sterfdag, alsof iedereen op dezelfde dag besloot dood te gaan. Toen mij de vraag werd gesteld of ik als man of vrouw terug wilde komen, was mijn antwoord resoluut; ‘als kat’. Daarop ontstond zowaar paniek, mijn verzoek bleek zeer ongebruikelijk te zijn. Maar ik hield voet bij stuk en na een spoedberaad van de engelencommissie werd mijn verzoek ingewilligd. En hoe! Ik ben de mooiste der katten. Nu alleen nog een ‘bediende’ vinden, zodat mijn leventje -van doen waar ik zelf zin aan heb, terwijl ik het mens voor me laat rennen- kan beginnen. Na ruim een uur sjouwen op vier poten, die elk een eigen wil lijken te hebben, zie ik een huis met een groene voordeur waar ik fanatiek aan begin te krabbelen. De deur zwaait open en een mollige vrouw kijkt me verrast aan. ‘Ben je verdwaald?, heb je honger?’, zegt ze terwijl ze me op mijn kop kriebelt. Ineens voel ik weerzin, haar ruwe handen schrapen te scherp en kriebelig door mijn vacht en haar handen stinken naar aardappelen en zeep. Ik begin meteen mijn vacht te poetsen, ik móét schoon zijn. Dat is een nieuw soort instinct, als mens boeide reinheid me amper. ‘Ach wat schattig’, zegt de vrouw en de onbenul aait me opnieuw. Binnen zet ze brokjes voor mijn neus, die ze normaalgesproken aan de egels voert, legt ze me in irritante kindertaal uit. Luid miauwend laat ik weten dat ik iets anders wil, iets uit de koelkast misschien. Ze lacht en zegt: ‘och, wil je nog meer geaaid worden?’ Mensen zijn werkelijk onnozel. De daaropvolgende maanden probeer ik andere mensen uit, maar ze zijn allemaal even hardleers. Zoals het een stoere kat betaamt, kom ik voor mijn vergissing uit en besluit ik van het dak te springen. Gelukkig doet het niet eens pijn. Ik roep: ‘man!’, nog voor mij de vraag gesteld wordt. De engel kijkt me verward aan en zegt: ‘Maar je weet toch dat een kat negen levens heeft?’

    Reply
    • Mooi!!

      Reply
      • Heel leuk.

    • Ik zie mijn rode kater voor mij.

      Reply
  6. Schaamte

    Zo, die zit er in.

    En hij smaakte me toch heerlijk! Tenminste, een beetje. Of eigenlijk, eigelijk helemaal niet.

    Ze noemde hem niet voor niets “mighty mouse”, het was ook een fantastische tegenstander. Al die jaren heb ik er meer dan mijn best voor gedaan. Maar telkens werd ik met een kluitje het riet in gestuurd. Letterlijk zelfs een keer, toen ik pardoes achter Mighty aansprong maar hij toch weer op wonderbaarlijk wijze wegdook en ik door de rietkraag in het water belande. Ik hoor de ganzen nog gakken van plezier. Later heb ik nog eens kennis gemaakt met het drijfzand, och dat scheelde weinig zeg. Ik voelde de warmte van die ongrijpbare muis al in mijn snorharen toen ik opeens merkte dat mijn pootjes dieper en dieper kwamen te zitten in het drijfzand. Mighty had hier geen last van en draaide zich brutaal om. Die aanblik van hem, de prooi die de jager uitlachte, zorgde ervoor dat het mijn levenswerk werd om deze ontembare prooi te temmen. Collega jagers waren al gestopt met het onbegonnen werk maar mijn karakter liet me dat niet toe. Nachten gingen voorbij zonder dat er maar een glimp van MM te zien was, doch altijd was ik bezig met het voorbereiden van mijn levenswerk. Dagen lag ik wakker om hem in hinderlagen te lokken, vervolgens lag ik nog meer dagen wakker van frustratie’s. Deze muis was onvangbaar.

    Vanmorgen was het dan zo ver, mijn grootste prestatie. Al sinds een paar dagen kon ik geen spoor meer van hem vinden. Ik begon te vermoeden dat hij het hazenpad had genomen. En toen zag ik hem. Ik paste mijn gebruikelijk tactiek toe, boven de wind blijven, gepaste achtegrond kleur. Deze topjager sloop op hem af. Mighty lag nog steeds roerloos op dezelfde plek. De jarenlange vervlogen hoop op een succes kwam weer eens bovendrijven. Ditmaal was het succes er ook. Ik was zo snel dat hij niet eens wakker werd, de sul, hij lag gewoon te slapen. Ik was zo door het dolle heen dat ik hem gelijk in stukken scheurde.

    Nu ik er over nadenk, tijdens mijn duikvlucht had ik al het idee dat er iets mis was.
    Lag hij niet te stil?
    Hij had wel een apart kleurtje!
    Hoe oud worden muzien eigenlijk?
    Die smaak was anders dan verwacht!
    Was Mighty Mouse nog wel in leven toen…..?

    Reply
  7. Ramptoerist

    Kijk, daar is die aardige vrouw weer.
    Ze komt hier altijd haar boterhammetje opeten.
    Ik ga dan naast haar zitten en laat een langgerekt ‘miauw’ horen. Ze geeft me stukjes worst van haar boterham. Ze praat tegen me en aait me over mijn hele lijf, van kop tot staart.
    Na een poosje zegt ze: ‘Dag poes, tot morgen. Ik moet weer aan het werk.’ Ik geef haar nog een kopje en mauw tegen haar, zodat ik zeker weet dat ze terugkomt.

    Vandaag ziet ze er anders uit; ze draagt niet dat lichtblauwe uniform, maar een jas.
    Ze doet ook anders; ze kijkt om zich heen, alsof ze ergens bang voor is.
    Op een afstandje houd ik alles in de gaten.
    Ze pakt haar telefoon.
    ‘Kees, met mij. Je moet nu komen …’
    Helemaal volgen kan ik het niet, maar er is iets goed mis.
    Als laatste vang ik op dat ze in het park is en dat hij moet opschieten.
    Vlak bij de ingang blijft ze ijsberen.

    Een auto stopt met piepende banden bij het park en toetert.
    Ze haast zich ernaartoe en opent het portier.
    ‘Zo Kees, ben je daar eindelijk?’
    Ik bedenk me geen moment en spring er ook in.
    De auto scheurt weg als zij is ingestapt. Verstopt achter haar stoel hoor ik ze kibbelen. Ze zijn op de vlucht voor de politie en volgens Kees is het haar schuld. Ze gaan onderduiken in een huisje op de Veluwe.

    Onderweg stoppen ze. Zij stapt uit om proviand in te slaan.
    Weer op de autosnelweg ruziën ze verder. Zij slaat en stompt hem, waardoor hij de auto niet meer in bedwang heeft. We botsen ergens tegenaan en rollen een paar keer om en om.
    Als we stil liggen, kruip ik naar buiten. Ik bof maar met die negen levens!

    Ik schiet weg tussen een paar bosjes de hei op, weg van de ravage en die twee kemphanen. Ze ruziën niet meer en hangen stil voorover in de auto.
    Er komen mensen aan, die naar ze gaan kijken.
    Later hoor ik ook sirenes.
    Naast de auto zie ik allerlei eten liggen, het is uit de auto geslingerd.
    Ik haal wat lekkere dingen op en ga er op de hei van zitten smullen.
    Met mijn buikje vol ga ik naar de auto zitten kijken. Ben benieuwd hoe dit afloopt.

    Reply
  8. De kat van Alberto Giacometti

    Alberto Giacometti, een bekend schilder en beeldhouwer, zei ooit: “Als ik tijdens een flinke brand zou moeten kiezen tussen het redden van een Rembrandt en een kat, zou ik voor de kat gaan”.

    Deze ochtend bespreken we het citaat in de klas.

    Rembrandt … het viel me nooit eerder op dat het woord “brand” letterlijk in zijn naam voorkomt. Een vuurzee van vlammen. Een peperduur schilderij of een vogel voor de kat! Ik vind de woordspeling in mijn hoofd grappig.

    Pieter, wiens vader advocaat is, merkt op dat er een groot verschil in ons standpunt zal zijn, naar gelang het kostbare doek al dan niet je eigendom is.

    Arthur staat erop dat Rembrandt een grote meester is en het niet zomaar om een gewoon schilderwerkje gaat. Pierre voegt eraan toe dat ieder kunstwerk de ziel van de kunstenaar verbergt. Hij zou een ziel redden.

    Kevin steekt ineens zijn vinger op en vraagt met grote ernst en interesse: hoeveel kost een naaktschilderij? Dat is toch erotische kunst met een ziel, vervolgt hij alvorens het antwoord af te wachten.

    Algemeen gelach.

    Mijn vader werkt bij de Raad voor Cultuur, zegt Manu trots. Dat is een adviesorgaan van de regering. Onlangs hebben ze een project gestart om eenzaamheid te bestrijden via kunst.
    Louis, die grote toespraken bespot, grijnst dat hij de kat alleen zou redden als die van hem was. Julien, om te provoceren, voegt eraan toe dat hij alleen witte katten zou redden.

    Manu gelooft zijn oren niet. Ben je bang voor zwarte katten? Op de brandstapel ermee? Dit is echt barbaars!

    Voemmm, katje weg, lacht Kevin. Zo’n hele bol haar ruikt zeker niet lekker. Ik denk aan Brel. Die doodde enkel een kat als ze slecht rook.

    Manu drukt ons weer met de neus op de harde realiteit. Wie geen centen heeft en hongerlijdt, kiest voor Rembrandt. Van een kat kan je niet eten, enfin toch niet lang, haha. Tot onze verbazing sluit de zachtaardige Lola zich bij deze mening aan. Ze legt uit dat haar ouders het op het einde van de maand heel erg moeilijk hebben de eindjes aan mekaar te knopen, zeker nu in coronatijd.

    De klas is stil. De leraar sluit het debat.

    Op mijn oude fiets op weg naar huis zie ik plots een zwarte kat in het veld. Ik steek terug mijn tong uit en rijd verder.

    Reply
    • Fantastisch! Mooie invalshoek. Ook een prettige, tot de verbeelding sprekende schrijfstijl.

      Reply
  9. Poes in het gras

    Ik schrik wakker. De geur van rotte bladeren en de smaak van natte aarde zijn overweldigend. Ik open mijn ogen maar knijp ze snel weer dicht. Ook al is de lucht gevuld met grijs gekleurde wolken, het licht zet mijn netvlies in vuur en vlam. Ik probeer mijn arm op te tillen om mijn ogen af te schermen, maar mijn arm blijft levenloos liggen.
    Ik geef mijn hoofd de opdracht naar rechts te draaien zodat het felle licht mijn ogen niet meer zal bereiken. Mijn ogen zien de wereld negentig graden gedraaid. Ze stellen zich scherp op donkergroene grassprieten vermengd met verdorde bladeren. In de verte de silhouetten van kolossale bomen met oranje- en roodgekleurde bladeren. Ik kantel mijn hoofd naar achteren. Hetzelfde plaatje nogmaals negentig graden gedraaid – gras, bladeren, bomen – aangevuld met mijn zwarte omafiets die op zijn zij ligt tussen mij en de bomen in. Een paar spaken zijn geknakt en de voorvelg is verbogen. Het achterwiel draait nog op zijn gemak in het rond.
    Er stroomt iets nats en kleverigs langs mijn linkerwang, maar als ik mijn hand ernaartoe probeer te brengen, gebeurt er niets. Ik ga mijn lichaam af: hoofd, nek, schouders, armen, handen, vingers, buik, benen, voeten, tenen. Ik hijg van de inspanning – mijn adem maakt wolkjes in de lucht – maar behalve mijn gezicht- en nekspieren blijft alles bewegingsloos.
    Mijn ademwolkjes, de kleur van de lucht, de mistige waas boven het gras en mijn bevroren neus vertellen me dat het koud is. Toch voel ik van mijn nek naar beneden niets.
    Ik draai mijn hoofd naar links. Een Britse korthaar, de kat uit de Sheba-reclames, kijkt naar mijn fiets met haar gele ogen terwijl ze met haar felroze tong haar wangen likt. Ze spint. Waarschijnlijk heeft ze net een muis verorberd.
    Ze draait haar hoofd naar mij, loopt naar me toe en likt mijn wang met haar tong zo ruw als schuurpapier. Het doet pijn – alsof ze over mijn bot likt. Ik krijs wanneer ze haar vlijmscherpe tanden in mijn huid zet en mijn vlees losrukt. Met een klein stukje van mijn gezicht loopt ze terug naar waar ze net zat en verorbert het.
    Ik schreeuw meermaals om hulp, maar voordat iemand reageert, likt de statige poes haar wangen af en komt ze weer naar me toegelopen.

    Reply
  10. Niet meer normaal

    Het gras kriebelt onder haar hand en ze voelt een steentje venijnig in haar bil prikken. Het is fris en het gras vochtig. Ze negeert de kou die haar spijkerbroek intrekt en langzaam naar boven gaat, haar huid prikkelend. De geur van de ochtend dringt haar neus binnen en ze haalt diep adem. Dat helpt, haar hart komt tot rust, gaat wat langzamer kloppen, herinnert haar aan het bestaan nu. Ze kijkt naar boven, naar de lucht waar de wolken een spel spelen, wie er het snelst kan verplaatsten. Donkere wolken verdrijven de lichtere, net als haar gedachten. Wat doet ze hier, nu? Ze veert op als ze in haar ooghoek wat ziet bewegen. Als ze haar hoofd naar links draait ziet ze een kat zitten, haar aanstarend en alsof ze iets verkeerds heeft gedaan. Misschien zit ze op zijn plek. Met haar rechter hand maakt ze zwaaiende bewegingen begeleid door een sissend geluid, in de hoop dat de kat opstaat en vertrekt. Katten vindt ze enge beesten, ze maken vaak onverwachtse bewegingen, ze vertrouwt ze niet. De kat blijft zitten en staart haar aan, recht in haar ogen, alsof hij haar gedachten kan lezen. Ze staart terug, bang om te bewegen, op te staan en weg te lopen. Alles achter zich te laten, opnieuw te beginnen. Het lijkt of de kat haar kan tegenhouden of erger, met haar meegaat, waar ze ook naar toe gaat. Dan zet het beest een stap naar voren, komt iets dichterbij, langzaam, wachtend op haar reactie. Ze doet niks, blijft stil zitten en wacht met spanning tot het moment ze opspringt en wegrent. De kat lijkt het te zien als een aanmoediging want hij zet monter nog twee stappen. Als ze wil kan ze hem aanraken. Met een nieuwsgierige blik kijkt hij haar aan, verbaast dat ze hem niet wegjaagt. Waarom jaagt ze hem niet weg? Normaal zou dat haar eerste reactie zijn, dat of weglopen. Misschien is dat het wel, normaal zou ze dat doen, ze is klaar met normaal. Ze steekt haar hand uit en de kat ruikt even aan haar hand en duwt vervolgens zijn kop er tegen. Een lach verschijnt op haar gezicht, ze geeft de kat een aai, staat op en met zekere stappen vervolgt ze haar weg.

    Reply
  11. ‘Hmm wat loopt daar voor een lekker kippetje.’ Al likkebaardend staart Tobias in de verte. Daar loopt ze. Heupwiegend met haar mooie koppie omhoog en haar staart wiebelend tussen haar goedgevormde billetjes. Met zijn blik volgt hij haar gedaante. Tobias kan nog net een druppeltje kwijl tegenhouden, wat zijn weg zoekt naar beneden. Zijn blik standvastig op haar gericht, elke beweging om hem heen negerend. Hij voelt het natte gras en de bruine dorre herfstbladen aan zijn pootjes, maar dat deert hem niet. Dit aanzicht is voor hem al genoeg. Na maanden alleen maar de binnenkant van een kelder te hebben gezien, had hij van deze gebeurtenis nooit durven dromen.

    Het was 15 maart. Met zijn gereedschapskist had hij voor de deur gestaan. Een dame, hij schatte haar rond de 30, had opengedaan en gevraagd of hij naar de waterleiding in de keuken wilde kijken. Natuurlijk wilde hij dat. Jonge vrouwen in nood helpen, deed hij maar al te graag. Omdat het vrijdagmiddag was had hij het toegelaten dat ze hem een biertje had aangeboden, zich nog van geen kwaad bewust.

    Tot hij een paar uur later wakker was geworden. Hij had zich raar gevoeld. Alsof hij zichzelf niet was. Een muffe, natte geur was zijn neus binnengedrongen. Hij had zich klam en koud gevoeld. Langzaam had hij zijn ogen geopend. Het eerste wat hij zag was een wit snoer met daaraan een flikkerend peertje. Toen hij zijn ogen volledig geopend had schrok hij van een schaduw, die naar hem toe boog vanuit de rechterhoek. Daar stond ze. Een gerimpeld, gebogen vrouwtje met zwart sluik haar. Op haar neus een enorme pukkel. Ze lachte. Of nou ja, het leek meer op een oorverdovend gekrijs. Ze kermde het uit en vroeg hoe hij zich voelde. Toen Tobias zijn been strekte, zag hij het pas. Een donkere harige poot met klauwtjes. ‘Shit’, dacht Tobias. ‘Heb ik weer…’ In de handen gevallen van een oude heks.

    Daar staat hij dan, in het natte gras. Hij voelt de wind langs zijn scherp hoogstaande oren suizen. Na maanden is het hem eindelijk gelukt om de kelder uit te vluchten. Terwijl de schone gedaante hem tegemoet komt lopen, hoort hij haar met haar vingers knippen en roepen “poespoespoes.” ‘Ha’, denkt Tobias, terwijl hij smalend over zijn neus likt, ‘ik ben nog steeds in trek!’

    Reply
  12. Maja Roodveldt 22-10-2020

    GET STUFFED

    Frank voelde hoe zijn buik langzaam nat werd.
    Het vocht van de natte hei trok dwars door zijn te dunne jas.
    Had ie nou z’n leren jack maar aangedaan!
    Dan had ie in elk geval nog lekker gelegen.

    Hij richtte zijn lens op de kat.
    Wat een bezopen opdracht was dit!
    Wie liet er nou een fotoreportage maken van zijn opgezette kat?
    Zo’n stijf beest was al vreemd, maar om daar dan ook nog foto’s van te willen, dan was je toch wel de weg kwijt.
    Dat hij ooit zoiets zou moeten doen!
    Zijn droom was wel anders geweest.
    Iets met mooie meiden en veel seks.
    Maar goed, dit betaalde prima en kieskeurig kon hij niet zijn. Het was al moeilijk genoeg in dit vak.
    Sinds hij het appartement in zijn eentje moest betalen werkte hij zich een slag in de rondte.
    Het was krap maar met goeie klussen als deze kon hij de gaten in zijn budget weer wat dichten.
    En goddank geen krijsende baby dit keer, of zo’n slecht betalend bruidspaar waar ie de hele dag mee op sjouw moest.

    Nog maar snel even een paar van de andere kant, met wat tegenlicht, voor het effect.
    Ze moesten wel zien dat hij zijn best had gedaan.
    Toch wel mooi, moest hij toegeven. Gek, hoe fotogeniek zo’n dooie kat nog was.

    Zijn mobiel verstoorde de concentratie.
    Zonder te kijken nam hij het gesprek aan.
    Haar zeurende stem irriteerde hem meteen.
    Iets over spullen ophalen, rekeningen en autosleutels.
    Zonder het eind van de tirade af te wachten drukte hij haar weg.
    Zeikwijf!

    Hij voelde zich ineens doodmoe en keek naar de kat.
    Wat een rust eigenlijk zo.
    Hij was klaar maar wilde nog niet weg.
    Voorzichtig deed hij het dier terug in de doos, pakte alles in en liep naar het bankje aan de rand van het bos.
    Nog even zo zitten.
    Met de kat naast zich rookte hij op z’n gemak een sigaret.
    Hij hoefde nergens heen.

    Reply
  13. De lekkere prooi

    Zie ik het goed? Vraagt Panter zich af. Nee. Of jawel toch.
    Ongeveer tien meter verderop is een zwerm zwarte vogels druk bezig in het hoge gras.
    Daar zit vast wat lekkers voor mij tussen, denkt Panter, terwijl hij met zijn vochtige tong langs zijn bekje likt. Als ik nu heel zachtjes naar ze toe sluip krijg ik er vast wel eentje te pakken.
    Panter duikt ineen, schudt met zijn billen, zwaait met zijn staart en sluipt voorzichtig naar de zwarte vogels toe die hem niet in de gaten hebben. Opeens kijkt eentje op. Panter blijft stokstijf staan en loert tot het moment dat de vogel verder gaat met zijn activiteit. Dan sluipt hij nog voorzichtiger verder totdat hij op een meter afstand van de zwarte vogels is.
    Ze zijn wel wat aan de grote kant, denkt Panter, maar het zal wel lukken om er eentje te grazen te nemen. Dan schudt hij razendsnel zijn billen en staart en springt bovenop de vogels.
    De zwerm vliegt uit elkaar en Panter valt bovenop…een ontbindend lijk. Hij zakt in de zachte natte massa en voelt het vocht zijn vacht binnen dringen. De rottende geur is onverdraaglijk.
    Getverderrie. Wat smerig. Heb ik dat weer, denkt Panter geïrriteerd.
    Hij probeert zich af te zetten op het lijk om weg te komen, maar glijdt uit en belandt met uitgestrekte poten op zijn buik. Wanneer hij omhoog kijkt ziet hij tot zijn verbazing de grote zwarte vogels om zich heen. Ze komen snel dichterbij totdat hun schaduw over hem heen valt. Dan voelt hij een snavel prikken in zijn achterpoot, eentje op zijn kop en dan in zijn vacht. Hij probeert weg te komen maar glijdt steeds uit. Het prikken blijft door gaan, terwijl Panter luid en doordringend miauwt.
    Was ik maar thuis gebleven bij mijn saaie brokken, denkt hij en voelt de pijn overal toenemen. Dan wordt het zwart voor zijn ogen…

    Reply
    • Gruwelijk en misselijkmakend. Heerlijk verhaal!

      Reply
  14. De kleine wereld

    Het volgende seizoen breekt aan. De hele zomer hebben ze zich voor kunnen bereiden op de donkere dagen die eraan komen. Kouder, natter en grimmiger. Het vermenigvuldigen is nodig om te kunnen blijven bestaan. Het is geen kwestie van willen.

    De evolutie heeft het zo bepaald.

    De beste sluimerplek is deze. Tussen de grijze, warme haren lijken ze genoeg beschutting te hebben tegen al het kwade erom heen. Hun wereld is klein, overzichtelijk en altijd in beweging. In zonnige, warme tijden hebben ze moeten vechten voor hun korte, onbeduidende levens. Maar hebben ze ook hun tijd kunnen nemen om het voort bestaan van hun soort te garanderen. Onderaan de voedselketen, maar onmisbaar in de kringloop van het leven.

    Ze hebben meer dan eens een aardbeving, die hun hele wereld door elkaar schudt. Gelukkig zijn ze daar wel tegen opgewassen.

    Ze hebben zich moeten weren tegen tsunami’s, op regenachtige dagen. Vastgeklampt aan stroeve haren als enige houvast.

    Ze hebben hevige windstoten moeten doorstaan. Gebogen over hun transparante, onvolgroeide kroost zodat zij de strijd zouden overleven.

    Ze hebben de degens gekruist met soortgenoten die net iets groter en stekelachtiger waren. Keer op keer hebben ze hun territorium moeten verdedigen. Als ze een hoger bewustzijn zouden hebben, zouden ze wel begrijpen dat indringers hun perfecte broedplek proberen te veroveren.

    Zo gaat dat nu eenmaal.

    De wereld roert zich. De nietige donkerbruine wezens bereiden zich voor de zoveelste keer voor op de volgende uitdaging. De wereld zet zich schrap op de volgende jacht. Met de bekende natte, ruwe, roze lap worden de laatste verlaten coconnetjes weg gelikt.

    Op weg naar de volgende bestemming.

    Reply
    • Wat een origineel perspectief!

      Reply
  15. Misty

    ‘Sufferd!’
    Ach, vast de papagaai van de buurvrouw, denk ik.
    Elke dag hetzelfde liedje.

    De rust is -gelukkig- dit keer snel wedergekeerd, en op mijn tenen sluip ik even later mijn bed uit. Ik wil niemand wakker maken en stap onder de douche om de sporen van slaap en vermoeidheid weg te spoelen.
    Dan kom ik langzaam tot leven.

    Het is pas vijf uur en buiten hangt een grijze nevel.
    Ik zet een bakje kattenvoer neer voor Misty, met een schoteltje melk. Daar is hij dol op.
    Het zal vast niet lang duren, voordat de zon zich laat zien.
    Daarna doe ik de openslaande deuren open en de frisse ochtendlucht vult de huiskamer.
    Ondertussen springt Misty lenig in één enkele sprong boven op het hoge tuinhek om te verdwijnen naar… ja, waarheen eigenlijk?

    Heerlijk vind ik deze vroege uurtjes, waarin de mensenwereld nog ligt te slapen en de dierenwereld opgewekt wakker wordt.
    De vogelgeluiden klinken mij als muziek in de oren.

    Maar na een half uurtje, word ik opgeschrikt door een vreselijk geschreeuw.
    ‘Help!… Klootzak!… Rotzak!’
    Mijn nekhaartjes springen overeind en voel een koude rilling over mijn rug lopen.
    Volgens mij komt het gekrijs uit de richting van het weiland, ietsjes verderop.
    Snel pak ik mijn sleutels om de schuttingdeur van het slot te halen.
    Jémig! Dat heb ik weer, denk ik, maar dan zwaait de tuindeur open.

    Als ik een minuutje later hijgend het weiland bereik, zie ik hem staan; Misty.
    Trots naast zijn prooi; een grijze papagaai…
    Ach néé!
    Dat beest zit toch altijd in z’n kooitje? Of stond de achterdeur soms open en heeft onze ondeugende zwarte kater, kans gezien naar binnen te sluipen?
    In elk geval heeft de buurvrouw dan zelf niet goed opgelet.

    Ondertussen kijk ik schichtig om me heen.
    Opgelucht slaak ik een zucht.
    Volgens mij heeft niemand ons gezien.
    Misty verstop ik vluchtig onder mijn vest en loop in een drafje direct naar huis.
    Ik moet zorgen dat we geen gedonder krijgen met onze buurvrouw.
    Het zal een hoop lawaai geven, zodra de drama-Queen merkt dat haar papagaai kassiewijle is.

    Thuisgekomen, doe ik de klapdeuren alvast dicht.
    Misty is vandaag ‘niet’ buiten geweest.
    Hé kwajongen, jij houdt toch wel je mondje hè? Geen gemiauw!’ fluister ik.

    Ineens hoor ik een hoop gefoeter…
    ‘Vast die rot kat!’

    Misty wordt onrustig, zijn oren draaien opzij en zijn pupillen vernauwen zich.
    Ik vrees het ergste…

    Reply
  16. Mijn naam is Misty

    In één sprong, spring ik op de hoge schuttingdeur, zet mij af en beland in de achtertuin van de buurvrouw.
    Hé, staat daar de achterdeur op een kiertje?
    Ik steek nieuwsgierig mijn kop om het hoekje en hoor duidelijk het gekletter van water. Dat kan niet anders, dan uit de badkamer komen. Mooi, buurvrouw staat onder de douche.
    Dan ga ik wel eventjes met haar lieveling spelen… de ‘koddige’ papagaai.

    Kijk hem nou, denk ik bij mezelf, de stakker weet niet wat er straks boven zijn hoofd hangt.
    Ik bekijk de kooi van een afstandje.
    Het lijkt me een makkie om hem te openen.
    Alleen maar een schuifje. Dat moet zo gepiept zijn.
    Ik sluip naar de kooi en word daar alleraardigst begroet.
    Een ’sufferd!’, wordt mij naar het hoofd geslingerd.
    Ach, het deert mij niet hoor, want wie zal hier uit eindelijk het laatst lachen?
    Dan sla ik met mijn rechterpoot tegen het schuifje aan.
    Het deurtje floept open en zo snel als een bliksemschicht haal ik uit, naar de geschrokken papagaai die pardoes van zijn stokje valt.
    Zo lenig als ik ben, werk ik behendig mijn bovenlichaam de kooi in, waar ik hem met mijn tanden stevig in de nek grijp.
    Nu gauw weg wezen.

    Zoals ik binnenkwam, glip ik weer naar buiten.
    De papagaai spartelt in mijn bek, tijdens mijn vlucht naar het weiland.
    Het beest begint opnieuw te mekkeren en onderneemt zelfs een vluchtpoging, wanneer ik hem in het hoge gras leg.
    ‘Help!’…Klootzak’…’Rotzak!’
    Jaja, je mag dan praatjes hebben, denk ik geërgerd, maar ik raak echt niet onder de indruk.
    ’Broodmolen’!’
    Allemaal niet netjes hoor. Ik ben een welgestelde zwarte kater.
    Dus ik haal nog een keertje flink uit.
    Dat lijkt genoeg te zijn.
    Zo, ik heb het mooi voor elkaar.
    Eindelijk zal deze irritante lawaai-papagaai geen kik meer geven.

    Och, kijk nu toch. Wie hebben we daar?
    Mijn baasje komt zelfs kijken…
    Ze is vast trots.
    Lieflijk stopt ze mij onder haar warme vest en neemt mij mee naar huis.
    Ze sluit de achterdeuren en begint zachtjes tegen mij te praten.
    ‘Wij hebben een geheimpje dat niemand mag weten, fluistert ze.
    Ik rol me op in haar warme schoot.
    Maar dan hoor ik een hoop gefoeter…
    ‘Vast die rot kat!’
    Mijn oren draai ik iets opzij en knijp mijn ogen tot spleetjes. Ik word al kriebelig.
    Dit is nog niet klaar…

    Reply
  17. Merijn

    Wie niet sterk is, moet slim zijn, denkt Merijn. Hij likt langs zijn snor. Taai, maar het doel heiligt de middelen. Hij bekijkt het koekhuisje.

    Aanvankelijk had hij prima met haar door één deur gekund, maar de laatste tijd was alles veranderd.
    Twee kinderen waren verlekkerd naar het huisje gelopen, missie geslaagd. Terwijl ze er met hun begerige vingers iets vanaf peuterden, kwamen ze in haar macht. Merijn was oud en misschien te soft, maar toen Rans en Frietje achter de tralies werden gezet, voelde hij medelijden.

    Ze mekkerde dat ze aan eten moest zien te komen en keek Merijn daarbij bedachtzaam aan. Haar krachten waren niet meer wat ze geweest waren. Laatst had ze zichzelf klein willen toveren, maar in plaats daarvan lag er ineens een joekel van een dennenappel in het huis. Nee, ze had al haar toverkracht inmiddels nodig voor het èchte werk: mensen in haar macht krijgen.

    Ze veranderde. Snauwde en grauwde tegen Merijn, schopte hem, zei dat hij in de weg liep. Op een kwade dag kreeg hij ineens geen eten meer. ‘Ga maar muizen vangen’, kakelde ze, ‘ik heb al het eten nodig om deze twee vet te mesten.

    De tijd tikte door. Het lukte oude Merijn niet meer om muizen te vangen, laat staan vogels. Hongerig liep hij naar de hokken, waar hij loerde op het eten dat daar lag. Rans stak hem een stukje kip toe. Gretig at hij het en van toen af aan voerden ze hem regelmatig. Het oude mens had gelukkig niets in de gaten, maar mopperde dat de kinderen niet genoeg aankwamen. Ongeduldig besloot ze toch haar toverkunsten in te zetten. Vet moesten ze zijn en wel nú. Ze pakte haar stafje, mompelde geheimzinnig en stond wild zwaaiend voor de hokken. Poeffff, een rookwolk en daar stond plots een muizenheksje. De grote sleutelbos was uit de zak van haar rok gedonderd. Merijn bedacht zich geen moment, sprong op de muizenheks en peuzelde haar op. Daarna schoof hij de sleutelbos naar Rans toe. Bevrijd en blij vroeg Frietje: ‘Hoe kunnen we je bedanken?’
    ‘Neem me mee’, zei Merijn en dat wilden ze maar wat graag. ‘Kijken jullie rond of je nog iets van je gading vindt, ik wacht buiten.’ En zo geschiedde.
    Merijn denkt aan de heks, voelt zijn gevulde maag, likt zijn snor nog eens en bedenkt dat het leven zo gek nog niet is.

    Reply
  18. Roofdier

    Zijn blik glijdt over mijn lichaam, heel langzaam van boven naar beneden en weer terug. Hij staat midden op het smalle bospad, voeten uit elkaar en zijn handen in zijn zakken.
    Onder zijn linkervoet zit de riem van Luna. Mijn blonde Labrador wordt met haar kop tegen de grond geduwd. Ze piept en worstelt maar er is geen beweging in te krijgen.
    Even sta ik verstijfd met het einde van de rollijn in mijn handen. Dan neemt de woede het over.
    ‘Ben je niet wijs ofzo?’ Ik gil hysterisch en hoor mijn stem overslaan. Hij blijft me doordringend aankijken. Zijn tong glijdt langzaam langs zijn lippen en hij tilt zijn bovenlip een stukje op.
    Het is alsof een roofdier zijn prooi bekijkt en bedenkt hoe lekker zijn maaltijd zal worden.
    Ik kijk om me heen maar ik weet ook dat het geen zin heeft. Rond deze tijd kom ik nooit iemand tegen. Dat is wat me normaal gesproken zo aantrekt aan dit gebied.
    ‘Haal je voet van de riem af. Laat haar los!’ Luna kijkt me paniekerig aan. Haar angst wordt versterkt door mijn reactie en ze begint harder te janken.
    Hij glimlacht naar me. Dit moet de engste lach zijn die ik ooit gezien heb. Met één beweging schopt hij met de hak van zijn rechtervoet tegen de zijkant van Luna’s kop. Ze zakt meteen levenloos in elkaar.
    Zonder na te denken stort ik me op haar slappe lijf. Dat had ik niet moeten doen.

    Reply
  19. Kat-en-muisspel
    De herfst is begonnen. Bruine bladeren vallen van bomen, er staat een gure wind. De lucht is grijs en onheilspellend. Af en toe tikt de regen op de harde grond. Het gras is bedekt met glanzende druppels.

    Ik sta midden in de open lucht, in een eenzaam veld. Ik versmelt met de omgeving, en verroer me niet. Van een afstandje sla ik de wereld gade. Mijn blik gaat heen en weer, ik neem elk detail in me op. Iedere beweging vraagt mijn aandacht, ieder geluid doet mijn oren spitsen. Maar mijn focus ligt slechts op een ding.

    Al dagen kijk ik naar haar, fascineert ze mij. Ik ken haar ritme, en ik ken haar routine. Ik volg iedere vastberaden stap, iedere vloeiende handeling. Ze slaat geen acht op mij. Misschien ziet ze mij niet. Misschien doet ze alsof. Mijn ogen glijden over haar soepele, zachte lichaam. Met verlangen.

    Regelmatig kijk ik om me heen, op mijn hoede voor andere gretige ogen. Maar ik zie niemand. Het gure weer jaagt iedereen weg. Behalve mij. Het is niet de eerste keer dat ik me laat leiden door verlangen. En waarschijnlijk ook niet de laatste.

    Het is de spanning. De verwachting. Vele malen heb ik in mijn hoofd afgespeeld hoe het zou zijn. De voldoening, als ik niet langer meer van een afstandje hoef toe te kijken, maar haar eindelijk van dichtbij kan aanschouwen. Haar zachte huid kan voelen, de verrassing in haar ogen kan zien. Een waar genot.

    Weer glijdt mijn blik terug naar haar. Slechts enkele meters apart. Haar zekerheid verbaast me. Ze is alleen in het druilerige weer, maar er is geen angst te zien. Geen wantrouwen. Doelgericht doet ze haar werk. Een spat regen doet haar niets. Zelfs als de avond valt, gaat ze volhardend door. Alsof ze mij bewust alle kans geeft. Alsof juist zij degene is die afwacht.

    Al dagen zet ik me schrap, bereid ik me voor op die eerste stap. En trek ik me toch weer terug. Die eerste stap, die moet perfect zijn. Er is maar één kans. Een misstap, en ze zal ontsnappen. Al mijn inspanningen voor niets.

    Mijn ogen blijven rusten op wat ik wil. En ik wacht nog iets langer. Op dat juiste moment.

    Reply
    • Het is natuurlijk niet zo, maar toen ik jouw verhaal las, dacht ik, dit zou zo de scene kunnen zijn die voorafging aan de mijne. De kat die voor de fiets stapt, waardoor mijn hoofdpersoon ten val komt en de kat eindelijk kan toegeven aan zijn/haar verlangen.

      Reply
      • Wat leuk dat je dit opmerkt, Lorelei! Het onheilspellende in beide verhalen past inderdaad heel goed bij elkaar. :)

  20. Nagulo

    Ik voel mijn linkerbeen warm worden en kijk omlaag. De vlek in mijn satijnen broek wordt groter. Mijn besmeurde mantel kan dit niet verhullen. De vier mannen voor me stoten elkaar aan, wijzen en lachen. ‘Dokken, pissebed’, bijt de gebochelde van de groep me toe en hij grijnst zijn zwarte tanden bloot. Hij knikt en als antwoord strijkt de reus naast hem met zijn knokige hand over het lemmet van zijn mes. Zijn enorme voeten onbeweeglijk in de modderige plas in dit achterafsteegje van dit godverlaten oord. Waarom zijn we niet bij het behaaglijke haardvuur van de herberg Het Witte Paard gebleven zoals we afgesproken hadden? De abt heeft ons immers op het hart gedrukt onze queeste te vervullen. Helaas, het vlees is zwak. Mijn kwabbige armen zijn er het levende bewijs van. Levend. Hoe lang nog? Mijn medereiziger Anselmo maakt zich zo onzichtbaar mogelijk en schuifelt langzaam van me weg. Ze keuren hem echter geen blik waardig. Wie zou ook vermoeden dat zo’n oude bedelmonnik achttien zilveren dukaten onder zijn kledij verstopt heeft. De ogen van de roofdieren blijven gefixeerd op hun volgevreten volgende slachtoffer. ‘Grijp hem!’ Dit zijn de laatste woorden die ik ooit zal horen, daar ben ik van overtuigd. Plotseling stapt vanuit de schaduw een gestalte in een zwarte mantel met getrokken zwaard naar voren.

    Reply
  21. Samhain.
    31 oktober 2020
    ‘Voor het welzijn van allen, zo zal het zijn.’ De oude wijze vrouw heft haar handen ten hemel, naar de perfect ronde schijf. Zilverkleurig is ze. Het maanlicht schijnt door de reeds kalende takken van de paardenkastanje. De natuur sterft om in het voorjaar te ontwaken. De sluier is vannacht voelbaar dun.
    De heide is verlaten, op een groep vrouwen na. Een voor een strekken ze hun armen omhoog, de maagden, de jonge moeders en de oude wijze vrouwen. Ze schrijden geluidloos over de zachte grond en vormen een cirkel. In het midden brandt een vuur.
    Ik aanschouw het tafereel maar zij zien mij niet. Waar hun blote voeten de aarde raken verschijnt wolfsklauw. Een jonge vrouw met lange rode haren draagt een donkerblauwe schaal gevuld met water en loopt naar het midden van de cirkel. In het water weerspiegelt de volle maan. De oude vrouw begint te zingen, de anderen vallen in. Daarna nemen alle vrouwen een slok uit de schaal. Ze hebben de maan neergehaald en de maangodin geëerd. Nu is het tijd om de voorouders te verwelkomen. Want in deze nacht is de grens tussen de levenden en de doden vervaagd. Er worden handdrums tevoorschijn gehaald en de vrouwen beginnen te dansen. Hun kleurrijke rokken zwieren in het rond, net als hun lange haren. Het geluid van de drums wordt harder, opzwepender. De energie verandert voelbaar. Alle vrouwen houden hun ogen gesloten en dansen zichzelf in trance. Twee vrouwen zingen een lied in een onverstaanbare taal.
    Gefascineerd kijk ik toe hoe het ritueel vordert. De vrouwen zingen, dansen, zwijgen keer op keer. Ik loop om de groep en ben onzichtbaar. Toch hoor ik erbij, ben ik een genode gast. Ik zie hoe iedere vrouw kruiden en een beschreven blad papier in het vuur gooit. Het vuur neemt hun wensen mee. Daarna klinkt het laatste lied.
    ‘May the cirkel be open but unbroken. May the peace of the Godess be ever in your heart. Merry meet and merry part. Merry meet again.’
    Het vuur wordt gedoofd. Dan is het donker.
    De laatste klanken sterven langzaam weg en dan verdwijnen de vrouwen, even geluidloos als ze zijn gekomen. Niemand is getuige van het ritueel. Niemand, behalve de ik. Iemand pakt me op. De vrouw met de rode haren, de jongste van de groep. Ze streelt mijn rug. Ik geef een kopje en begin te spinnen.

    Reply
  22. Kleur

    Siénna zit op haar knieën, ze duwt haar vingers in het zwarte zand en sluit haar ogen. Om haar heen beginnen bladeren weer hun zomerse kleur terug te krijgen en poppen er boterbloemen in kringetjes uit de grond.
    Zodra ze weer vogels hoort fluiten zit haar taak erop. Tenminste voor dit gedeelte van het bos.
    Langzaam krabbelt Siénna weer overeind, haar benen voelen wiebelig en als ze het zand van haar oude paarse jurk veegt moet ze even blijven staan.
    Dit moet het werk van Montana zijn. Denkt Siénna terwijl er een hertje om haar heen begint te huppelen en een duwtje tegen haar billen geeft.
    ‘Het komt wel goed kleintje.’ Zegt Siénna en lacht als hij haar nog een duw geeft.
    ‘Oké, oké. We gaan daar heen.’ Het hertje loopt achter haar aan, maar als Siénna even later achteromkijkt is het verdwenen.
    Ik ben dichtbij. Voelt ze terwijl ze via een helling omhoogklimt.
    Siénna herkent de plek waar ze ooit danste met haar vader. Het lijkt een eeuwigheid geleden.
    ‘Miauw.’
    Siénna weet wat dat betekent en zet snel haar rug tegen de dichtstbijzijnde boom.
    Als ze voorzichtig over haar linkerschouder kijkt ziet ze hen staan in het midden van een open veld.
    Montana en haar listige zwarte kat Collin. Het veld is zo droevig als de donkere jurk van Montana en achter haar op de heuvel staat het kasteel waar Siénna ooit woonde, het is een schim van de magische plek van toen.
    Siénna’s hart krimpt een beetje en de tranen prikken achter haar ogen.
    Ze ziet Montana schreeuwen tegen haar gezichtloze ridders die de andere kant van het bos in rennen en Collin heeft het te druk met het vangen van de dieren die op de vlucht zijn.
    Ze hebben me nog niet gezien, dit is mijn kans om hier een einde aan te maken.
    Siénna zakt door haar knieën op de grond, ze sluit haar ogen en haar vingers gaan diep de aarde in. Om haar heen beginnen boomwortels zich een weg te banen richting Montana.
    Siénna’s lichaam begint te trillen, maar met alle kracht die ze nog over heeft schreeuwt ze;
    ‘NU!’
    Montana probeert nog omhoog te vliegen maar de bomen zijn haar te snel af en trekken haar mee onder de grond. Langzaam wordt het donker voor Siénna’s ogen en ze zakt met haar gezicht in het gras, dat nu weer groen is.

    Reply

Submit a Comment

Your email address will not be published. Required fields are marked *