Ongebruikelijke perspectieven in korte verhalen

Ongebruikelijke perspectieven in korte verhalen

Wie is de verteller in je verhaal? Veel schrijvers maken een keuze uit de eerste persoon (‘ik liep’ etc.) of de derde persoon (‘hij liep’ etc.). Maar er zijn nog meer opties!

Eerder schreef ik al over bovenstaande gebruikelijke perspectieven. Als je dat artikel nog niet hebt gelezen, kun je dat hier doen.

In dit artikel laat ik je wat ongebruikelijke perspectieven zien. Je leest wat voor effect ze opleveren en wat hun voor- en nadelen zijn.

Juist in korte verhalen kun je er namelijk lekker mee experimenteren. Door hun (gebrek aan) lengte kun je allerlei bijzondere manieren van schrijven uitproberen, zonder dat je er meteen honderden pagina’s lang aan vast zit, zoals bij een roman.

Waarom zou je experimenteren met perspectief? Nou, het zorgt voor nog meer afwisseling in je verhalen en schrijfvaardigheden. Je kunt kritischer nadenken over de verschillende invalshoeken en richtingen van je verhaal(onderwerp). Wanneer je meer weet over de verschillende opties, kun je met meer zelfvertrouwen kiezen. Zo vergroot je de kans dat je een verhaal schrijft waar je trots op bent én waar lezers enthousiast over zijn!

 

Ongebruikelijke perspectieven:

 

Tweede persoon

 

Zoals je in het vorige artikel kunt lezen, maken de meeste verhalen gebruik van de eerste persoon (ik-vorm) of derde persoon (hij/zij-vorm). Maar er zit er nog eentje tussen!

Een verhaal geschreven in de tweede persoon gebruikt de jij-vorm: ‘jij liep’. Bovendien kun je die jij-vorm op twee verschillende manieren gebruiken:

  • Jij = de hoofdpersoon
    “Je liep door de gang en deed de voordeur open. Daar stond Eva, bibberend en doorweekt van de regen.”
    Onbewust wordt de lezer in ieder verhaal uitgenodigd om zich in de hoofdpersoon te verplaatsen. Door de tweede persoon te gebruiken, maak je dit expliciet.
  • Jij = de lezer
    “Ik liep door de gang en deed de voordeur open. Daar stond je, bibberend en doorweekt van de regen.”
    Op deze manier lijkt het alsof je hoofdpersoon tegen iemand anders praat. De lezer zal (onbewust) proberen zich meer in te leven in dit personage in plaats van de hoofdpersoon.

Het voordeel van de tweede persoon is dat je lezer direct aangesproken wordt. Dit kan extra spannend aanvoelen en je lezer nog nieuwsgieriger maken naar de rest van het verhaal.

Het nadeel is dat een lezer het te vreemd kan vinden. In plaats van dat ze denken wat een opmerkelijk personage je hebt bedacht, vatten ze het persoonlijk op: ‘Ja hallo, zoiets zou ik nóóít doen – wat een onzin!’ In dat geval leidt de vorm af van de inhoud van je verhaal en dan kun je waarschijnlijk beter een ander perspectief kiezen.

 

Voorwerp als verteller

 

Een personage oefent invloed uit op het verhaal door keuzes te maken en handelingen uit te voeren. Je personage hoeft dus niet per se een mens te zijn. Dieren en fantasiewezens mogen ook, zolang ze maar kunnen denken en doen.

Een voorwerp kan dus eigenlijk geen personage zijn. Toch kan het boeiend zijn om ‘in het hoofd’  van een voorwerp te kruipen. Wat voelt een auto? Wat ziet een kamerplant allemaal? Wat vindt de wekker ervan dat ‘ie iedere ochtend klappen krijgt?

Het voordeel van dit perspectief is dat het heel verfrissende observaties kan opleveren. Je kijkt met een heel andere blik naar alledaagse dingen.

Het nadeel is dat het lastig is om actie en spanning toe te voegen, simpelweg omdat een voorwerp geen initiatief kan nemen (tenzij je er geen realistisch verhaal van maakt en het voorwerp echt tot leven brengt). Zonder actie moet je voorwerp wel hele boeiende dingen denken en/of alles heel mooi verwoorden. Zo niet, dan weet je lezer misschien niet waarom ze dit verhaal nou heeft gelezen.

 

Een groep personages als verteller

 

Het is zelfs mogelijk om vanuit een ‘wij’ te schrijven. William Faulkner doet dit bijvoorbeeld in het verhaal ‘A Rose for Emily’ (een Nederlandse vertaling kun je hier lezen). Het verhaal wordt verteld door de inwoners van het dorp.

Dit levert een heel beklemmend gevoel op. Een grote groep mensen lijkt hetzelfde te denken. Het lijkt één grote kudde.

Dat is dus ook het nadeel: het is lastig om je te identificeren met een gezichtsloze mensenmassa. Er blijft een grote afstand tussen de verteller(s) en de lezer, waardoor de lezer misschien nét niet mee kan leven.

 

In deel drie…

 

In het derde deel van deze blogserie geef ik je vragen en oefeningen om te ontdekken welk perspectief het best bij je verhaal past.

 

Wil je een mailtje ontvangen wanneer het nieuwe artikel is verschenen? Meld je aan voor mijn schrijftips. Tot gauw!

Vond je dit een nuttig artikel? Dan help je andere schrijvers door het delen op je social media.

4 Comments

  1. Leuk Kelly, ik ga zeker proberen eens een ander perspectief te gebruiken! ;-) En wat betreft je eigen boek: volhouden hoor. Ik zag dat Carry Slee je voor was…

    Reply
    • Hi Carla, ik ben benieuwd! En ja, Carry Slee is ineens mijn concurrent – vind het wel een heel mooi compliment ;)

      Reply
  2. Bedankt voor de nuttige tips. Kan je binnen hetzelfde verhaal ook van perspectief switchen of is een kortverhaal daar te kort voor?

    Reply
    • Hi Bert, ik wil niet zeggen dat het nooit kan, maar het is wel lastig. Misschien kun je een alwetende verteller gebruiken? Dan heb je wel een enkel perspectief, maar ook de mogelijkheden om de gedachten van meerdere personages te laten horen. Meer daarover vind je in het eerste artikel over perspectief! :)

      Reply

Submit a Comment

Your email address will not be published. Required fields are marked *