Schrijfwedstrijd januari

Schrijfwedstrijd januari

Gelukkig nieuwjaar! Mijn goede voornemen is om nog meer mensen aan het schrijven te zetten en te laten genieten van het leerproces. Daarom organiseer ik voortaan maandelijks een mini-schrijfwedstrijd!

 

Mini-schrijfwedstrijd januari

Laat je inspireren door deze foto en schrijf (een fragment of beginnetje van) een kort verhaal.

Deel jouw tekst uiterlijk 31 januari 2016 om 23.59 uur in de reacties om kans te maken op uitgebreide feedback op je tekst!

UPDATE 01-02-16: Gefeliciteerd, Katrien! Jij wint redactie van 1000 woorden naar keuze!

schrijfwedstrijd januari

Klik om de foto te vergroten (foto via Unsplash)

Je kunt een van deze vragen als startpunt nemen, maar dat is niet verplicht:

  • Wie woont of wonen er in dit huis?
  • Wat speelt zich af achter deze deur?
  • Waarom belt jouw personage hier aan?
  • Waarom wil je personage weg uit dit huis?

Onder alle inzendingen verloot ik een redactieronde van max. 1000 woorden. Daarmee kun je dit of een ander verhaal nog beter maken. Later inzenden kan natuurlijk ook, ik vind het erg leuk om te zien hoe de foto je heeft geraakt (je maakt dan alleen geen kans meer op de prijs).

In de eerste week van februari maak ik de winnaar bekend.

Veel schrijfplezier!

 

Spreekt deze foto je niet aan? Klik hier voor alle foto-schrijfoefeningen.

7 Comments

  1. Wat gebeurd achter, die gordijnen het blijft daar zo stilletjes.

    Reply
  2. Het was zondag ochtend. Finn sprintte naar buiten om naar Rosa te gaan. Toen Finn de deur achter zich dicht trok zag hij de groene voordeur van Meneer Stoffel op een kier staan. Stoffel was al dagen druk in de weer met een van zijn nieuwe uitvindingen.
    ‘De Tijdmaker’, had Stoffel het genoemd.
    ‘Met dit apparaatje kun je waar je ook bent de tijd terugspoelen of doorspoelen, zo heb je alle tijd voor klusjes of huiswerk’.
    Finn liep naar de deur van meneer Stoffel. Hij klopte op de deur maar niemand reageerde.
    ‘Hallo?’, maar er kwam geen antwoord. Finn zijn hand ging naar de deurklink. Voorzichtig duwde hij de deur open. Langzaam stak Finn zijn hoofd door de opening. ‘Stoffie?’, nog steeds geen geluid. Finn opende de deur en liep stapje voor stapje naar binnen, door de gang en naar de huiskamer. De kamer lag vol met rotzooi. Proppen papier, onderdelen, schroefjes of oude uitvindingen die niet meer werkte. Aan het einde van de kamer, onder het raam, stond het bureau van Stoffel. En daar zag hij Stoffel zitten. Voorover gebogen op het bureau. Vlug baande Finn zich een weg door de rotzooi naar het bureau.
    ‘Stoffie?’, vroeg Finn voorzichtig. Een snurkend geluid gaf Finn antwoord. Opgelucht plofte Finn op de grond.
    Hij lag te slapen. Stoffel had dagen lang doorgewerkt aan zijn uitvinding en als hij eenmaal bezig was dan was hij niet meer te stoppen. Daardoor was hij vergeten te slapen. Finn stond weer op en zocht gauw het wollendeken tussen de rotzooi.
    ‘Hebbes’, fluisterde Finn en hij legde voorzichtig het deken over hem heen.
    ‘Slaap lekker gekke Stoffie’. Plots zag Finn iets voor Stoffel op het bureau liggen. Het leek een soort horloge met een rode steen erop. De steen was niet groter dan een kiezel maar zag er prachtig uit. Het zonlicht, wat de kamer in scheen, zorgde ervoor dat van alle kanten glinsterde.
    ‘Wat is dat voor ding?’, zei Finn zachtjes. Langzaam bewoog hij zijn hand naar de gekke armband toe. Steeds dichterbij.
    ‘Finn!’, Stoffel schoot wakker. Verstijfd van schrik bleef Finn staan. Stoffel sprong op.
    ‘Ik heb het, ik heb het’ schreeuwde Stoffel uit. ‘Ik moet naar Finn toe’.
    Stoffel pakte zijn uitvinding, griste snel wat papieren van het bureau en sprintte de kamer uit.
    ‘Stoffie, ik ben hier..’ zei Finn verward.
    Maar Stoffel was al weg.
    Vlug rende hij achter Stoffel aan, door de gang en naar de voordeur. Op straat aangekomen zag Finn Stoffel al staan. Met een lach van oor tot oor stond Stoffel bij de voordeur van Finn te springen.
    ‘Hier ben ik’, zei Finn en hij trok de deur achter zich dicht.
    ‘Waar kom jij nu vandaan?’, zei een verbaasde Stoffel.
    ‘Ik was al bij jou binnen maar je rende me voorbij’.
    ‘Maakt ook niet uit, goed dat je er bent, mijn nieuwste uitvinding is eindelijk klaar’. Trots liet Stoffel het vreemde apparaat zien.
    ‘Dit is hem dan de tijdmaker’.
    Hij liet de uitvinding voor de neus van Finn bungelen. De rode steen leek nog veel mooier te schitteren dan de vorige keer. Er zaten twee draadjes aan vast die naar een klein knopje aan de zijkant van het apparaat liepen. Aan de andere kant van de Tijdmaker zat een kleine draaiknop met een schermpje er naast waarop je de tijd zag.
    ‘Dit is mijn beste uitvinding ooit, dagenlang heb ik hieraan gewerkt en nu is het eindelijk af’, zei een trotse Stoffel.
    ‘Maar werkt hij ook?’, vroeg Finn spottend.
    De lach van Stoffel verdween.
    ‘Daar heb ik nog niet echt tijd voor gehad’, Stoffel krabde zich achter zijn oren.
    Finn schudde zijn hoofd en probeerde zijn lach in te houden. Opeens begonnen de ogen van Stoffel te glunderen.
    ‘Jij!’ riep Stoffel uit. ‘Jij moet de Tijdmaker gaan testen voor mij’.
    Nog voor Finn kon reageren pakte Stoffel Finn zijn onderarm vast en schoof de Tijdmaker om zijn pols.
    ‘Maar ik weet helemaal niet hoe de Tijdmaker werkt Stoffie’, zei Finn voorzichtig.
    ‘Het werkt heel simpel, zie je die rode steen?’.
    Die kon je moeilijk over het hoofd zien dacht Finn.
    ‘Deze robijn heb ik gevonden op een van mijn reizen, fluisterde Stoffel. ‘Tijdens mijn zoektocht de verborgen tempel in de Waktu Jungle’. Finn luisterde aandachtig. ‘Na allerlei testen te hebben overleefd vond ik de schat waar ik naar op zoek was’.
    ‘Ze noemen het ook wel de Eeuwige robijn’.
    ‘Wat is dat voor een rare naam’, zei Finn terwijl hij naar de robijn bleef staren.
    ‘Niemand weet precies waarom maar men zegt dat deze robijn een geheimzinnige kracht bevat waardoor hij voor eeuwig blijft glinsteren’.
    Even bleef het stil. Stoffel en Finn keken beide naar de edelsteen die nog mooier leek dan eerst.
    ‘Als je aan deze knop draait kun je precies aangeven hoever je, terug of vooruit, in de tijd wil gaan.’. ‘Daarna hoef je alleen maar op de andere knop te drukken en flits je weg’.
    ‘Is het zo simpel?’, vroeg Finn verbaasd.
    ‘Ja, het enige wat je hoeft te doen is mij laten weten of alles werkt’.
    ‘Ik weet niet of dit gaat werken hoor, het klinkt allemaal als film’.
    Finn maakte de Tijdmaker los van zijn pols. En wilde het terug geven aan Stoffel.
    ‘Alsjeblieft Finn’. Opeens werd de stem van Stoffel serieuzer.
    ‘Denk aan wat je allemaal kunt doen als het werkt’.
    Daar wist Finn wel een antwoord op. Als mevrouw van Strickt weer eens voor de honderdste keer haar regels zou opdreunen dan kon hij haar doorspoelen. Of school helemaal overslaan dan hoefde hij niet meer te leren. En hij zou heel ver de toekomst in willen gaan. Dan was hij heel oud maar toch nog een kind. Er verscheen een grijns op het gezicht van Finn.
    ‘Ik doe het!’.
    Stoffel slaakte een kreet van vreugde. Hij pakte Finn weer bij zijn arm en begon hem rond te draaien alsof hij een reuze tol was. Hij danste en zong het uit. Als iemand hun gezien had zouden ze denken dat het circus weer in de stad was. Uiteindelijk werd Stoffel weer rustig.
    ‘Finn, ik zie jou morgen weer en dan wil ik alles horen, afgesproken?’.
    ‘Ja, Ja afgesproken’, antwoordde Finn.
    ‘Nog een ding!’ zei Stoffel plots. Finn schrok.
    ‘De eeuwige robijn is heel veel waard en veel mensen willen hem hebben’ fluisterde hij. ‘Vertel dit tegen niemand en zorg dat niemand het in handen krijgt ‘. Stoffel keek Finn strak aan. Finn slikte. Toen verscheen er weer een lach op Stoffel zijn gezicht.
    Hij gaf Finn een stevige hand en vloog met een sierlijke beweging door zijn voordeur terug naar binnen.
    Finn bleef achter. Helemaal alleen in de straat met de Tijdmaker om zijn pols. Er verscheen een grijns op zijn gezicht en hij drukte op het knopje van de Tijdmaker.

    Reply
  3. En, wat vind je van mijn mooie huis?

    De groene deur zat er al toen ik bij Thomas ging wonen. Die deur hoort bij het huis, die mogen we niet veranderen. Ik vind de kleur groen wel mooi, het is niet te een standaardkleur, maar zeker niet te hippie-achtig. Ik ben ook niet zo, weet je. Het moet opvallen, maar niet te. Daarom ook die mooie plantjes.
    We zijn een eeuwigheid bezig geweest met ze uitzoeken in de winkel, Thomas en ik. We zijn een gouden combinatie, maar niet op zulke moment. Ik ga voor handig en praktisch, en Thomas gaat altijd voor bijzonder en onhandig. We kochten niets, Thomas vond alle plantjes mooi, behalve deze. Twee dagen later kwam ik thuis met nieuwe plantjes. Thomas vroeg waar ik die leuke plantjes gekocht had. Ik ben blij met de plantjes. Ze zijn inderdaad heel handig voor aan je huis.
    De witte gordijnen had Thomas al. De gordijnen ruiken muf, maar ik mag ze niet wassen. Ik mag ze nog net dicht en open doen. Af en toe ruikt hij aan de gordijnen, de geur doet hem terugdenken aan zijn jeugd. Trouwens net als zijn disney mok, de lelijke scheve schemerlamp op de overloop en de verzameling paperclips. Die trouwens wel leuk zijn, want zo hebben we elkaar leren kennen, aan de loopband. Hij met groene paperclips en ik met roze. Die in een wit doosje moesten.
    Och dat waren nog eens tijden. Hele middagen kletsen we vol. Vol met onzinnige dingen. Daar waren we goed in, weet je. Wat waren we daar goed in.

    Reply
  4. Dit huis!

    Ik heb altijd al zo’n huis willen hebben. Een oud huis, maar goed onderhouden, netjes in de verf. Je kunt de muurankers zien zitten, enkelsteens waarschijnlijk, dus zal ik het extra moeten isoleren. Maar wat er ook gebeurt, die mooie schuiframen met ruitjes erin ga ik niet vervangen door pvc. En er is zelfs een stalring om een paard aan vast te maken, geinig!

    De makelaar zal zo wel komen. Ik moet zorgen dat ik niet te enthousiast reageer zometeen, anders valt er niets meer te onderhandelen. Waarom zou de bewoner weggaan? Zou hij overleden zijn en hier al jaren wonen? Nee, dan zou het er oudbolliger uitzien. Hmm, misschien is dit wel van een projectontwikkelaar, die alle gebreken onder een dikke laag verse verf heeft willen verstoppen. Toch ook maar een bouwkundige inhuren.

    Dit huis is meer dan honderd jaar oud. Je kan zien dat de ramen ooit veel hoger zaten. Wie weet wat voor optrekkend vocht er is weggeschilderd. De bloembak is ook z’n poging om het beeld van bewoning te schetsen. Maar als je er echt woont, laat je de bak niet zo verdrogen natuurlijk.

    Ah, daar komt de makelaar!

    Reply
  5. Het lege venster

    Ik fiets langs het venster van oma Nel. Het venster blijft leeg. Geen hand meer die de gordijnen opzij schuift. Geen vriendelijke ogen die naar buiten turen. Ondanks mijn dikke jas, krijg ik het koud. Het raam van oma Nel was nooit leeg.
    Oma Nel was niet mijn echte oma. Toch was ze de liefste oma die ik ken. Ze woonde al jaren in nummer twee toen mama en ik in nummer acht belandden. Ik was drie toen we naar de Kroonstraat verhuisden. We kenden hier niemand. We waren alleen met ons twee en een hoop pijnlijke herinneringen. Oma Nel was de eerste die aanbelde. Dat we welkom waren, zei ze, en dat we altijd op nummer twee mochten langslopen. Ze duwde mama een ovenschotel in de handen en aaide over mijn haren. Ze negeerde de ontbrekende pluk en vroeg niks over de afschuwelijke littekens in mijn gezicht. Ik was even een doodnormaal meisje van drie dat net was verhuisd.
    Vanaf die dag spraken we haar wel vaker. Meestal op de drempel van haar huis. Daar keek ze graag naar de drukte na schooltijd. Ik at het koekje dat ze in mijn handen stopte. Mama verwarmde zich aan haar woorden. Soms ging ik spelen met de andere kinderen. Veel vaker zat ik toe te kijken op de stoep en verzamelde ik kruimels van de gesprekken tussen mama en oma Nel.
    “Haar vader mailde weer, Nel. Of hij langs mag komen. Alsof ik die vent ooit nog wil zien nadat hij die snelkookpan naar mijn hoofd slingerde. Die pan was voor mij bedoeld, Nel. Niet voor dat kind. Maar ze kwam plots de keuken in rennen.”
    Bij zo’n gesprekken hield oma Nel de handen van mama stevig vast. Soms droogde ze tranen. Ik hield me muisstil en huppelde met een extra koek naar huis.
    Oma Nel heeft veel tranen gedroogd. Niet alleen die van mama. Toen ik zes werd, ontdekte ik hoe anders ik wel was. Dat mensen huiverden als ze naar mij keken. Dat ze ongegeneerd met hun vinger wezen. Dat ze mijn verfrommelde handen niet durfden vastpakken.
    Als ze zag dat ik aan de kant stond terwijl de kinderen uit de buurt voetbalden, riep ze me binnen om te kaarten. Of ze dreigde dat ze nooit meer chocolaatjes uit zou delen als ik niet on-mid-del-lijk mee mocht doen.
    Oma Nel praatte nog altijd met mama, maar mijn grotemeisjesoren mochten het niet meer horen. Toen ik ongeveer dertien was, ontdekte ik zelf de kracht van het luisterend oor van oma Nel. Ze streelde stil over mijn rug toen ik vertelde over de starende ogen tijdens de zwemles. Ze hield mijn handen zachtjes vast toen geen enkele jongen met mij naar het schoolbal wilde.
    “Jij komt er wel,” zei ze vaak. “Echt waar. Je zal wel zien.” Ze kreeg gelijk. Het leven maakte mij sterk. Maar niet sterk genoeg voor het lege venster. Dat niet.

    Reply
    • Katrien, wat een prachtig verhaal. Eigenlijk zou iedereen zo’n oma Nel moeten hebben.

      Reply
  6. Na drie keer bellen, wordt de deur nog niet opengedaan. Ik probeer mijn sleutel nog een keer en ik krijg wel de deur van het slot af, maar hij gaat niet open. Waarschijnlijk zitten de haken nog op de deur. Dan heeft ze in ieder geval naar me geluisterd. Lange tijd vond ze het onzin en bangmakerij van me en weigerde ze daarin mee te gaan. Mij leek het met alle verhalen over roofovervallen alleen maar goed als een vrouw van bijna zeventig een beetje voorzichtiger was. En net nu ik heel graag binnen wil heeft ze de haken wel op de deur gedaan.
    Het gaat al een tijdje slechter met haar. Ze is vaak erg afwezig en vergeet steeds meer. Om te zorgen dat ze niet zomaar zichtbaar is, terwijl ze in haar ondergoed door het huis loopt, heb ik nieuwe gordijnen opgehangen. De inkijk is nu een stuk minder en ze kan ongestoord haar gang gaan. Daar heb ik nu spijt van. Anders had ik even op het raam kunnen kloppen en zwaaien. Dan had ze me misschien al gezien.
    De plantjes mogen ook weleens water hebben. Dat is wel gek. Meestal is ze daar nog wel alert op. Of het is een teken dat het echt steeds slechter met haar gaat. Ze zou toch niet… Er breekt een zekere paniek uit. Wie weet wat er met haar aan de hand is? Ze kan wel van de trap gevallen zijn en dan ligt ze nu onderin de gang met een gebroken been. Of nog erger misschien en ligt ze nu dood in haar bed.
    ‘Rustig, rustig,’ spreek ik mezelf toe, ‘niet meteen het ergste denken. Misschien valt het allemaal nog wel mee.’
    Toch kan ik de paniek niet onderdrukken. Met mijn handen op mijn slapen, probeer ik na te denken. Moet ik een raam intikken? Of een slotenmaker bellen? Misschien is het beste als ik de politie bel of moet je in een dergelijk geval de brandweer bellen?
    Laat ik eens door de brievenbus kijken. Dan is er mogelijk iets te zien. Er ligt niets op de mat, maar ze krijgt ook nauwelijks post en met de nee-nee sticker ook geen reclameblaadjes. In ieder geval ligt ze niet onderaan de trap en ook in de gang is ze niet te zien. Haar schoenen staan onder de kapstok, haar jas hangt er aan. Ze is dus wel thuis.
    ‘Mama,’ roep ik door de brievenbus. ‘Mama, hoor je me?’
    Met mijn oor tegen de brievenbus probeer ik een geluid op te vangen. Ik hoor gestommel. Dan is ze mogelijk toch nog in leven.
    ‘Mama, als je me hoort, zeg dan iets. Ik kan een ambulance bellen als het nodig is en de politie.’
    ‘Els?’
    Hoor ik vaag. Dan zie ik mijn moeder gezond en wel van de trap afkomen met alleen haar slip en BH aan. Ik had dus toch gelijk met mijn gordijnen.
    ‘Mama, wat fijn! Ik maakte me zulke zorgen…’
    Ik ben nog niet uitgesproken of ik laat van schrik de brievenbus dichtvallen. Nee, dit scenario had ik nooit kunnen bedenken.

    Reply

Submit a Comment

Your email address will not be published. Required fields are marked *