Show, don’t tell: wat moet je ermee?

Show, don’t tell: wat moet je ermee?

Het is een veelgehoorde schrijfregel: ‘show, don’t tell’ als je een boeiend verhaal wilt schrijven. Je moet niet droog vertellen (tell) wat je bedoelt en wat er gebeurt, maar het laten zien (show) zodat je lezer zelf de conclusie trekt. Dat klinkt vrij logisch. Natuurlijk wil je de verbeelding van de lezer aanspreken! Natuurlijk wil je dat ze je verhaal begrijpen! Toch duurde het even voordat ik het écht onder de knie had. En ik ben niet de enige. Ik zie regelmatig discussies in schrijfgroepen en blogartikelen voorbij komen waarin mensen het niet eens zijn over wat deze schrijfregel nou inhoudt en hoe je hem goed toepast.   Wat betekent ‘show, don’t tell’?   De schrijver Anton Tsjechov vatte het mooi samen: ‘Vertel me niet dat de maan schijnt; toon me de glinstering van licht op gebroken glas.’ Wanneer je ‘vertelt’, breng je informatie over op de meest droge en efficiënte manier. Dat is heel handig, maar het maakt weinig emotionele indruk op je lezer. In Tsjechovs voorbeeld: de maan schijnt. Daar knoop je als lezer de conclusie aan vast dat het nacht is en dus donker. Goed om te weten! Maar het kan spannender. Wanneer je ‘toont’, breng je informatie over én voeg je tegelijkertijd meer sfeer en/of emotie toe. In Tsjechovs voorbeeld schijnt er licht op gebroken glas. We weten niet of het licht komt van een lamp, van de maan of een andere bron. We weten wel dat het donker is, anders heb je geen extra licht nodig. En er ligt dus gebroken glas… van een raam, een fles of iets anders. Wat zou er gebeurd...
Setting: zo beschrijf je de wereld van je verhaal

Setting: zo beschrijf je de wereld van je verhaal

Waar je bent heeft invloed op hoe je je gedraagt. Zo gedraag je je op een begrafenis heel anders dan op een bruiloft. Tenminste, dat hoop ik ;) Hetzelfde geldt voor tijdperken. Er zijn zat dingen die honderd jaar geleden als normaal werden beschouwd, maar die nu echt niet meer door de beugel kunnen. En hoe de wereld er over honderd jaar uitziet? Daar kunnen we van alles over verzinnen. Waar en wanneer je verhaal zich afspeelt wordt de ‘setting’  genoemd. Die plekken en tijden hebben invloed op wat je personages kunnen weten en doen. Als je de setting goed beschrijft, komt de wereld van je verhaal nog meer tot leven. Je lezer krijgt nog meer kans om mee te leven met je personages.   Zo maak je de setting duidelijk   Jij bent verantwoordelijk om je lezer de informatie te geven die ze nodig hebben om het verhaal te snappen. Het is belangrijk om snel informatie te geven over waar en wanneer we ons bevinden – zeker als je verhaalwereld verschilt van de wereld van de lezer. Als je niet genoeg informatie geeft, zal je verhaal geloofwaardigheid verliezen. ‘ Ja dag, hij heeft ineens een draak als huisdier?! Dat kan helemaal niet.’ Als je te veel informatie geeft, leidt dat af van je verhaal. ‘Hé, waarom krijg ik ineens drie pagina’s uitleg over het politieke systeem? Wat heeft dit met de rest te maken?’ Voor een schrijver is het handig om zo veel mogelijk over de verhaalwereld te leren. Je hoeft alleen niet ál die feitjes in je tekst te stoppen. Bedenk wat noodzakelijke informatie is voor de...
Een routeplanner om je verhaallijn te bedenken

Een routeplanner om je verhaallijn te bedenken

Er wordt wel eens gezegd dat er twee soorten schrijvers bestaan. De ene groep schrijvers wil eerst het hele verhaal plannen, voordat ze beginnen met schrijven. De andere groep schrijvers begint gewoon en ziet onderweg wel waar ze uitkomen. Elke aanpak heeft voor- en nadelen, dus het maakt niet uit welk type je bent! Zolang je jezelf maar niet in een hokje propt waar je niet in past. Als je vooraf een plan hebt, heb je minder kans om onderweg vast te lopen. Het nadeel is dat je tijdens het schrijven altijd extra ideeën opdoet, die je verhaal nog leuker en levendiger maken. Als je plan te strak is, heb je misschien geen ruimte voor die verrassende ingevingen. Als je zonder plan begint, loop je meer kans om vast te lopen. Je laat je fantasie de vrije loop, maar hebt geen idee hoe je bij een passend einde uitkomt. In het ergste geval kun je weer van voor af aan beginnen. Kijk, als je een verhaal van een paar honderd woorden wilt schrijven, is dat geen ramp. Die verrassende ingevingen kun je bewaren voor een volgend verhaal, of je gooit je huidige idee weg en begint aan iets nieuws. Maar als je aan een langer verhaal of een roman werkt… dan kan een half plan toch handig zijn! Dat halve plan noem ik de routeplanner.   Het nut van een routeplanner   De routeplanner is een uitgebreide vragenlijst. We kijken naar het beginpunt van je verhaal, het eindpunt en wat er onderweg noodzakelijk is om van A naar Z te kunnen rijden. Je hoeft nog niet iedere wending in...
Ongebruikelijke perspectieven in korte verhalen

Ongebruikelijke perspectieven in korte verhalen

Wie is de verteller in je verhaal? Veel schrijvers maken een keuze uit de eerste persoon (‘ik liep’ etc.) of de derde persoon (‘hij liep’ etc.). Maar er zijn nog meer opties! Eerder schreef ik al over bovenstaande gebruikelijke perspectieven. Als je dat artikel nog niet hebt gelezen, kun je dat hier doen. In dit artikel laat ik je wat ongebruikelijke perspectieven zien. Je leest wat voor effect ze opleveren en wat hun voor- en nadelen zijn. Juist in korte verhalen kun je er namelijk lekker mee experimenteren. Door hun (gebrek aan) lengte kun je allerlei bijzondere manieren van schrijven uitproberen, zonder dat je er meteen honderden pagina’s lang aan vast zit, zoals bij een roman. Waarom zou je experimenteren met perspectief? Nou, het zorgt voor nog meer afwisseling in je verhalen en schrijfvaardigheden. Je kunt kritischer nadenken over de verschillende invalshoeken en richtingen van je verhaal(onderwerp). Wanneer je meer weet over de verschillende opties, kun je met meer zelfvertrouwen kiezen. Zo vergroot je de kans dat je een verhaal schrijft waar je trots op bent én waar lezers enthousiast over zijn!   Ongebruikelijke perspectieven:   Tweede persoon   Zoals je in het vorige artikel kunt lezen, maken de meeste verhalen gebruik van de eerste persoon (ik-vorm) of derde persoon (hij/zij-vorm). Maar er zit er nog eentje tussen! Een verhaal geschreven in de tweede persoon gebruikt de jij-vorm: ‘jij liep’. Bovendien kun je die jij-vorm op twee verschillende manieren gebruiken: Jij = de hoofdpersoon “Je liep door de gang en deed de voordeur open. Daar stond Eva, bibberend en doorweekt van de regen.” Onbewust wordt de lezer in ieder...
Wie vertelt dit verhaal? Gebruikelijke perspectieven in korte verhalen

Wie vertelt dit verhaal? Gebruikelijke perspectieven in korte verhalen

Een verhaal verteld door een seriemoordenaar leest heel anders dan hetzelfde verhaal verteld door de politieagent die hem achterna zit. Kort gezegd is dat waarom je over je perspectief moet nadenken. Het perspectief is het oogpunt van waaruit het verhaal wordt verteld. Wie is je verteller, wanneer vertelt hij/zij het verhaal, en zitten we in iemands hoofd of volgen we een personage van een afstandje?   Waarom moet je een perspectief kiezen?   Welk perspectief je kiest, heeft invloed op de afstand tussen het verhaal en je lezer. Het beïnvloedt welke informatie je op welk moment kunt delen. Door de verschillende perspectieven te herkennen en toe te passen, heb je nog meer mogelijkheden om een lezer je verhaal in te trekken. Bovendien, wanneer je geen bewuste keuze maakt, is de kans groot dat je tijdens het (her)schrijven per ongeluk wisselt tussen perspectieven. Dan weer schrijf je in de eerste persoon, dan weer in de derde. Hier gebruik je de tegenwoordige tijd, daar de verleden tijd. Je bezorgt jezelf dan alleen maar meer werk, en schrijven is soms al lastig genoeg! Daarom is dit het eerste artikel in een korte serie over perspectief. Vandaag beginnen we met de basics: de meest gebruikelijke perspectieven in korte verhalen.   De meest gebruikelijke perspectieven: Eerste persoon   Een verhaal geschreven in de eerste persoon is te herkennen aan het gebruik van ‘ik’. Het personage, oftewel de ik-figuur, vertelt zelf het verhaal. Het voordeel van dit perspectief is dat je in het hoofd van je personage zit. We weten wat hij/zij denkt, voelt, zegt en doet. We horen alles in zijn/haar woorden. Daar staat...
Versterk je spanningsboog met de Piramide van Freytag

Versterk je spanningsboog met de Piramide van Freytag

Het is ontzettend lastig om een goede spanningsboog voor je verhaal op te zetten. Sommige beginnende schrijvers laten te weinig gebeuren in het begin van hun verhaal. Andere schrijvers beginnen sterk, maar laten het midden van hun verhaal inzakken. Een goede spanningsboog zorgt ervoor dat je de nieuwsgierigheid van je lezer aanwakkert én tot en met het einde vasthoudt. De Piramide van Freytag kan je helpen om dit voor elkaar te krijgen.   Wat is de Piramide van Freytag?   Gustav Freytag was een Duitse (toneel)schrijver die veel onderzoek deed naar de opbouw en spanningsbogen van voornamelijk klassieke en Shakespeareaanse tragedies. Zijn piramide was een van de eerste dingen die ik leerde tijdens mijn studie Literatuur en ik heb er nu nog steeds veel aan! Hij ontdekte een structuur in vijf fases die we ook vandaag nog terugzien in veel verhalen, boeken, films en televisieseries. Als voorbeeld gebruik ik de serie House, omdat de structuur in veel afleveringen makkelijk te herkennen is. Voilà, de Piramide van Freytag:   1 Expositie   In de expositie leg je de basis voor het verhaal. Wie is je hoofdpersoon, wat moeten we bij het begin over hem/haar weten? Waar speelt het verhaal zich af en hoe is de sfeer daar? Waar heeft het grote conflict van dit verhaal mee te maken? Een aflevering van de serie House begint bijvoorbeeld met een patiënt met vreemde klachten. De arts House (hoofdpersoon) moet de aandoening van deze patiënt oplossen (conflict), terwijl hij ondertussen kibbelt of ergere problemen heeft met zijn collega’s (setting/sfeer).   2 Stijgende actie   In de volgende fase begint de spanning te stijgen....